Mt. 21, 25 - 32
- Lezing
- Ez. 18, 1 - 4 en 25 - 32
OMKEREN NAAR WAT LEVEN GEEFT; HET KAN ALTIJD WEER OPNIEUW!
Dat spreekwoord over die onrijpe druiven eten, waardoor de kinderen van die ouders stompe tanden krijgen was nieuw voor mij. Maar wij kennen vergelijkbare gezegden: zo vader, zo zoon. Of: de appel valt niet ver van de boom. Een kind beoordelen naar het gedrag van zijn vader doet een kind onrecht.
Zo gaat God niet met ons om, laat Ezechiël aan zijn volk weten. Kinderen worden niet gestraft om de misstappen van hun ouders. Een mens hoeft niet gevangen te zitten in een patroon van oorzaak en gevolg: ‘God beoordeelt ieder van ons naar de weg die hij zelf gaat’, verzekert Ezechiël ons. Dat is de eerste blijde boodschap in deze lezing.
De tweede is, dat een mens van zijn onrechtvaardige weg kan terugkeren naar een goed, rechtvaardig leven. Dat we opnieuw kunnen beginnen, altijd, met een schone lei.God smeekt ons haast, bij monde van Ezechiël: Slechte wegen brengen geen leven! kom tot inkeer en lééf! Van God uit mogen we altijd opnieuw beginnen. Achter ons laten wat verkeerd was. Dat dat kán en mag, is eigenlijk heel bijzonder.
Wát ik ook heb gedaan, een ander heb aangedaan, of mezelf, of wat ik ook doe waarvan ik weet dat het niet optimaal is; ik kan ervan terugkeren, ik kan veranderen, voor het goede gaan kiezen. En mijn leven daardoor ten goede keren, zodat het vreugdevol worden, alsnog vruchtbaar en gelukkig. Zodat ik weer liefde ervaar. Gods vergevende liefde is onuitputtelijk en onbegrensd. Dat mag ik heel diep tot mij door laten dringen. Elke keer opnieuw.
Maar hoe zit het dan met sterven door slechte daden? Ezechiël, zeven eeuwen vóór Christus, riep al op om dat sterven niet op God af te schuiven. Dat doet God niet. Dat veroorzaken wijzelf. Daar dragen wijzelf verantwoordelijkheid voor. De gevolgen van handelen, waarvan we weten dat het niet goed is voor ons of voor een ander, kunnen wij God niet in de schoenen schuiven. Als je iets doet wat niet klopt, dan drukt dat op je, gaat je ergens een beetje dood, al functioneer je ogenschijnlijk gewoon verder. Maar als je iets doet dat goed is levert dat blijdschap op, energie, nieuw leven!
Tot zover wat wij vandaag van Ezechiël te horen krijgen over de grenzeloze kansrijkheid om een gelukkig leven te leiden. Het is eigenlijk al zoveel, om bij stil te staan. Maar we krijgen nog meer. Want in Mattheus komen we uit bij een twistgesprek tussen de hogepriesters en oudsten en Jezus. Die eersten waren de toenmalige machthebbers die vragen stelden over Jezus’ bevoegdheid van waaruit hij handelde. Hij had n.l. net daarvoor handelaren en geldwisselaars uit de tempel verjaagd. Wie was hij, om dit te mogen doen?! Jezus weet, dat Hij een bedreiging vormt voor de gevestigde orde, waaraan deze machthebbers hun positie ontlenen. Hij weet welke machtsstrijd er onder hun vraag schuilgaat.
De vraag naar Jezus’ bevoegdheid riep bij mij de vraag op: welke bevoegdheid hadden die hogepriesters en oudsten, om die vraag aan Hem te stellen? Natuurlijk, zij hadden formeel de verantwoordelijkheid om de Wet van Mozes te handhaven. Maar: hoe kom je op zo’n verantwoordelijke positie terecht? Door integriteit, kennis en kunde, door geloofwaardig, betrouwbaar en rechtvaardig te zijn. Zo zou het moeten zijn. Eenmaal óp zo’n positie: hoe blijf je die verantwoordelijkheid dan verdienen? Wanneer je eenmaal macht hebt verworven met alle bijkomende ego-strelende kanten, hoe blijf je dan integer, eerlijk tegenover God en jezelf en daarmee één van het volk. Hoe voorkom je dat je je op zo’n hoge positie geen God gaat wanen.
In zijn tegenvraag gebruikt hij daarom Johannes de Doper als voorbeeld, een man van aanzien bij het volk, die trouw aan God en aan zichzelf was gebleven. Maar die vraag beantwoorden de hogepriesters en oudsten niet. Zij zijn zich bewust van het risico, dat wanneer ze Johannes’ bevoegdheid vanuit de hemel toe zouden kennen, ze hem hadden moeten volgen. En dat hadden ze niet gedaan. Dat had henzelf immers hun comfortabele positie gekost! Ze ontwijken ook het andere antwoord: dat Johannes in opdracht van mensen had gehandeld. Want dat zou de woede van het volk hebben opgeroepen, die hem voor een profeet hield. Dat zou opstand veroorzaken, met een onzekere afloop ook weer: voor hun positie! Elk antwoord zou hun status quo bedreigen. Zij omzeilen daarom het antwoord. Ze gaan de waarheid uit de weg, geven zich niet bloot. Stellen zich niet open voor Jezus echte, confronterende vraag.
Zij eigenen zich het leven toe, houden vast aan wat zij bezitten: macht, aanzien, positie. Zij kennen God niet de eerste plaats toe in hun leven, maar zichzelf. En dat gaat ten koste van het werk waarvoor zij zijn geroepen: het werken in de wijngaard. Daar gaat vervolgens Jezus’ gelijkenis over. Want ook al geeft hij geen direct antwoord op hun vraag, hij antwoord wél met een parabel die er niet om liegt. Want zij mogen zich herkennen in die tweede zoon, die ‘ja’ zegt, maar ‘nee’ doet. Zij krijgen de boodschap, dat zij een voorbeeld hadden kunnen nemen aan de tollenaars en de hoeren, die zich lieten raken door Johannes’ oproep en waren ingegaan op zijn oproep tot bekering.
Waar het bij Ezechiël nog ging om de individuele redding van de dood, het eigen zielenheil, voegt Jezus hier ook nog de dimensie toe van de verantwoordelijkheid voor de wijngaard, voor het volk. Want hij spreekt hier tegen de machthebbers, die bepalend waren voor het volk als geheel. Stel je voor, dat ze alsnog waren ingegaan op Jezus. Het hád gekund, want het kan áltijd, weten we van Ezechiël. De échte leiders waren misschien toen wel die tollenaars en hoeren, die zich hadden laten dopen door Johannes, met een doopsel van bekering. Zíj ging vernieuwd verder. Zij brachten daarmee het leven verder; hebben misschien wel mensen geïnspireerd en nieuwe hoop gegeven.
Wij mogen ons spiegelen aan dit verhaal: aan de oudsten en Schriftgeleerden, de hoeren en de tollenaars. Aan Jezus, die de confrontatie niet uit de weg gaat en óók zijn tegenstanders onderricht geeft, met de vergelijking over de twee zonen. We weten niet, of er van die machthebbers niet iemand was, die zich door Jezus heeft laten raken. Het zou gekund hebben. Toen, of misschien in latere instantie. Het kán, het kan altijd nog. Dat is een bemoedigende boodschap aan het einde van de vredesweek: er is altijd herstel mogelijk. Mogen we met die boodschap hoop houden op de weg naar meer vrede en gerechtigheid, dichtbij en in het grotere verband van de wereld, die daar zo’n nood aan heeft.