Joh. 9, 1 – 39
Evangelie Johannes 9 : 1-39
d.d. 15 maart 2026 Overweging door Tineke Renkema-Boersma
Jezus is onderweg Hij ziet een blinde. Ja, Hij ziet. De man is een blinde, blind vanaf zijn geboorte Nee, niet blind geworden door de zonde van zijn ouders Ook niet door eigen zonde. Dat is kortzichtig. Jezus is een ziener en ziet dat in deze man Gods werk zichtbaar kan worden. Bewogen door deze man mengt Jezus speeksel met aarde, zacht en helend. Zie en doorvoel het gebaar waarmee hij dit op de ogen van de blinde strijkt, vol aandacht. De blinde wordt als het ware gezalfd.
En dan moet de blinde gaan.
Hij moet gaan, terwijl hij niets ziet!
Natuurlijk, hij moet zélf de weg gaan!
Zich schoonwassen in het zuiverende water van het Siloambad
om gezond te worden en te worden tot gezondene.
Ook wij moeten gaan
Ook wij moeten ons schoon laten wassen
deze 40-dagen tijd,
omdat er van alles aan ons kleeft.
Alles waarvoor wij onze ogen sloten,
omdat we bang waren,
omdat het te pijnlijk was, meer dan we aankonden,
omdat we vasthielden aan ons eigen gelijk,
omdat wijzelf het centrum waren
Ons schoon laten wassen om dan langzaam maar zeker
te durven zien.
Alles onder ogen zien wat er was en is.
Het verhaal gaat verder:
Er is die eerste ontmoeting met de ander,
Die mensen die hem als blinde kennen.
Ze hebben moeite hem te herkennen.
Hij spreekt zijn eerste woorden: Ik ben het!
Als wij die woorden in onszelf herhalen
Dan kunnen wij wellicht voelen
Dat we steeds meer zélf aanwezig komen.
Ja, ik ben het! Dit ben ik!
Hier ben ik!
In het ‘ik ben’ klinkt de Godsnaam door
aangeraakt is de blinde door de mens
die geheel en al op God is afgestemd.
Er begint iets te dagen
Hij weet wat er gebeurde, maar…..
wie heeft hem aangeraakt?
Dát weet hij niet.
Dat moet nog worden
Dat ‘ik ben’ kan alleen maar groeien
in het tegenover van de ander.
Niet alleen in het tegenover van de welwillende,
maar ook in het tegenover van de tegenstrever, de beproever.
We hebben er allicht weet van:
Dat ‘ik ben’ kan niet anders ‘worden’
dan door de weg te gaan, ook door de beproeving heen.
Dat kán niet anders.
Zijn het de farizeeën in dit verhaal,
Zij, die zorg dragen voor de zuiverheid van de leer
in wie de beproever, die uiteenwerper,
een kans krijgt om zijn verdelend werk te doen?
Hoe dat in zijn werk gaat? Zij leggen de man, wiens ogen zijn geopend, het vuur na aan de schenen, In hun ogen werd immers de sabbatswet overtreden. Zij bevragen de man met een steeds groter wordende intensiteit. Ze vragen de man: Wie heeft jou doen zien? Ook de joden willen hem niet geloven.
En de voormalig blinde man?
Hij vertelt zijn verhaal.
Heel precies, heel nauwkeurig, heel enkelvoudig.
En de ouders, wat zeggen zij, als ze worden ondervraagd.
Zij wijken!
‘Wij weten het niet’ horen we hen zeggen
Bang zijn ze om uitgestoten te worden uit de synagoge.
Dat niet-weten
Die beweging van ontwijken,
Geen verantwoordelijkheid nemen
Het is ons wellicht niet vreemd?
De angst doet zijn werk. Ook wij weten wat het is om ons te verbergen, bang als we soms zijn om tevoorschijn te komen. Mens, waar ben je, waar is je broer. We klimmen in bomen, zoals bijv. Zacheus, om wel te kunnen zien, maar niet gezien te worden.
De man wiens ogen werden geopend, wijkt niet!
Hij staat! Hij staat op eigen grond.
Hij weet gaandeweg niet alleen dat hij zélf iemand is,
maar begint ook te vermoeden wie die ander is.
Een ding weet hij zeker: ‘Ik was blind en nu kan ik zien.’
Ook de Farizeeën gaan hun weg, maar in omgekeerde richting. Waar eerst openheid leek te zijn, is het in tweede instantie heel duidelijk : Voor hen is er slechts één waarheid.
Waar het verhaal van de ander er voor ons niet meer toe doet, waar geen ruimte is voor de ander kan niet onderscheiden worden tussen wat waar is en niet waar, wat goed is, wat kwaad Wij raken opgesloten in onszelf, ons eigen verhaal, onze eigen waarheid. We raken verblind, terwijl we denken te zien.
De Farizeeën wéten het
De man, die de blinde de ogen opende:
Ja, hij is een zondaar
De beproever doet zijn werk.
Maar niet alleen de beproever. Ook de Geest van God doet zijn werk. Het komt er nu op aan! Zal de nu ziende man trouw blijven aan wat Jezus in hem zag: dat Gods werk in hem zichtbaar zou worden? Zal hij zijn ogen weer sluiten nu er zoveel tegenkracht aan het werk is? We horen hem zeggen: ‘De man die mij heeft doen zien is een man van God’ Daar staat hij nu, beproefd, op heilige grond. Een uitgezuiverd mens. Geworden tot een gezondene. Daar staat hij: Uit de synagoge gegooid. Oog in oog met de Mensenzoon ‘Ik geloof’
En wij? Gods werk moet in ons openbaar worden
Die weg begint bij een diep verlangen
gezien, aangeraakt te worden
Te komen tot onszelf, zoals wij bedoeld zijn
Dat vraagt moed om alles te zien en te horen wat er is:
Licht en donker, goed en kwaad, stem en tegenstem.
We worden beproefd
Uitgezuiverd
Om dan uiteindelijk oog in oog te staan, ieder van ons
Ik geloof
Ik ben van ‘Ik ben’
Hier ben ik
Hier ben ik en daar ben jij, mijn kostbaar tegenover.
Mag het zo zijn.