Mt. 5, 1 – 12
- Lezing
- Sefanja 2, 3; 3, 9-13
Bedelaar … naar God
Waarom lezen we de profeet Sefanja? Omdat hij het heeft over nederigheid. En omdat hij dit over God zegt:
Ik zal een arm en zwak volk binnen je muren achterlaten dat in de naam van de HEER een toevlucht vindt.
Een toevlucht vinden. Wanneer heb je dat nodig? Wanneer je leven overspoeld wordt door bedreigingen. Wanneer je gered moet worden. Dan smeek je, als een bedelaar: Mag ik veilig zijn bij jou? En waarom willen we dat nu vandaag in deze kapel? Omdat wij – hoe dan ook, op een of andere manier – geloven dat wij ‘in de naam van de HEER’ een toevlucht mogen vinden. Niet voor niets zongen wij zojuist: ‘Ons leven komt bij u terecht.’ We kunnen de woorden van Sefanja vandaag ook zo lezen:
God zegt: ik zal een klein aantal hulpbehoevende en zwakke gelovigen in deze kapel toelaten, omdat zij hier hun toevlucht willen vinden.
En dan horen wij de zaligsprekingen? ‘Zalig’ kennen wij van ‘zalig kerstfeest’. ‘Zalig’ klinkt helaas wat vreemd, en daarom horen wij nu in de vertaling ‘Gelukkig wie …’ ‘Gelukkig de treurenden’ en ‘Gelukkig de vredestichters’. Raadselachtig en ook weerstand oproepend. Wij hebben de afgelopen tijd vast wel eens gesproken met een treurende. Ik voor mij durf dan dat woord gelukkig niet te gebruiken. En kennen wij een ‘gelukkige vredestichter’. Nee, wij kennen vooral vredestichters die vermoord zijn. Wat is ‘geluk’? Ik vond ooit een mooie uitspraak van de dichteres en columniste in NRC, Marjoleine de Vos: ‘Gelukkig is de mens die zowel iets als iemand heeft om zich aan te wijden.’ Iets of iemand om je aan te geven. Het gaat dus om iets, laten we zeggen ‘geloven door alles heen’, en om iemand, laten we zeggen ‘de persoon die op je pad komt’. Je bent pas gelukkig als je iets en iemand hebt om voor te leven.
Jezus spreekt ons negenmaal toe met de woorden: Gelukkig is de mens die … Dit even terzijde, de negende uitspraak luidt: ‘Gelukkig de mensen die vanwege God worden uitgescholden en vervolgd, want die krijgen hun loon elders of later in de hemel.’ Deze negende zaligspreking schijnt door Matteüs te zijn toegevoegd omdat hij dit schreef in een tijd van zware christenvervolging. Acht zaligsprekingen dus. En de eerst en de laatste eindigen met: ‘want voor jullie is het koninkrijk van de hemel. Het gaat dus om het hemelse koninkrijk.
Hoe moeten we toch deze acht uitspraken lezen zodat ze ons kunnen bemoedigen? Misschien helpt dit: We kunnen ze lezen als de geloofsbrief van een ambassadeur van een vreemde mogendheid. De geloofsbrief van de ambassadeur Jezus, die afgevaardigd is vanuit het koninkrijk van de hemel naar het koninkrijk van de aarde, vanuit de hemel
naar ons arme en hulpbehoevende mensen met een gelovig ideaal. Een geloofsbrief is een bewijsstuk dat iemand ook werkelijk bevoegd is om op te treden in een bepaalde functie. En Jezus ‘bewijst’ dit aan het begin van zijn openbare verkondiging door een redevoering waarin hij, als het ware, een zelfportret geeft. Hij zegt: Zo mogen jullie mij zien, zo vertegenwoordig ik dat bovenaardse koninkrijk. Dit ben ik voor jullie.
Wij zouden hier tot ver in de middag kunnen mediteren bij dit zelfportret van Jezus. Maar laten we ons in deze viering beperken tot de eerste uitspraak, die wij misschien beter kennen als ‘Zalig de armen van geest’. Daar hebben we onze handen al vol aan. Voor ‘arm’ staat er in het Grieks een woord dat ook ‘bedelaar’ betekent. Je hebt honger en als je niets vraagt dan verhonger je. Je moet dus wel willen bedelen of smeken. En dat wordt dan begrijpelijk gemaakt met ‘Gelukkig de nedrigen van hart’. Dat woord ‘nederig’ lijkt zo duidelijk: Dat ik moet vechten tegen mijn hoogmoed, mijn eigenwaan, mijn beter weten. Maar dan ben ik in al mijn nederigheid nog steeds met mijzelf bezig. Nee, zo is het niet bedoeld. Ik vond ergens:
Nederigheid is niet minder ván jezelf denken maar minder áán jezelf denken.
En dan ‘arm van géést’ of ‘nederig van hárt’. Voor ‘hart’ of ‘geest’ staat er in de grondtekst ‘pneuma’ En dat betekent ook, heel concreet, het in- en uitademen. Als we dat niet doen, leven we niet meer. Daarin zijn wij hulpbehoevend, wij zijn voor ons bestaan afhankelijk van de lucht om ons heen.
Wij voor onszelf kunnen dat heel concreet maken door bij het in- en uitademen meer aan de ander te denken dan aan onszelf. Pas dan worden wij arm van geest. Ik vond hierover inspiratie in een artikel van Frans Maes in het tijdschrift Speling, dat hier gelukkig ook in onze huiskamer op de leestafel heeft gelegen. Frans Maes haalt Meister Eckhardt, de middeleeuwse mysticus en theoloog. Meister Eckhardt zegt:
Arm is: niet hebben. Ben ik een plaats een persoon waarin God werkt? Dat geloof wil ik graag ‘hebben’. De mens voor een tijd een plaats van God? Nee, zo’n plaats heb ik niet. God werkt toch wel! Zolang ik denk dat ik een plaats van God ben, handhaaf ik – als bezit – de scheiding tussen God en mijzelf. Niets hebben is op die plek zijn waar de scheiding tussen God en mij er niet is. Dat is een leeg gemoed, dat is arm van geest. En dan hebben wij een leeg gemoed, leeg genoeg voor het koninkrijk van de hemel.
Ik vermoed dat Jezus in zijn Bergrede ons een zelfportret als geloofsbrief heeft gegeven. Jezus gelooft dat in zijn ademhaling de ademhaling van God aanwezig is. Zo is hij gelukkig. Gelukkig zijn wij als wij zó onze toevlucht vinden dat wij bij ons in- en uitademen ervaren dat wij Gods adem inademen, zonder iets te willen, zonder iets te weten, zonder iets te hebben. Dan kan ons iets overkomen van geluk, van zaligheid, ja van die bovenaardse gelukzaligheid, waarover door de eeuwen heen gezongen is met de woorden: ‘Trek naar de overkant, want daar ben je thuis’. Mag deze gelukzaligheid de komende week af en toe door ons heen stromen wanneer wij in- en uitademen.