Lc. 16 : 19 – 31
- Lezing
- Amos 6 : 1-10
Evangelie Lucas 16 : 19 – 31
Datum 28 september 2025 Overweging door Tineke C.M. Renkema - Boersma
We vallen vandaag midden in het gesprek van Jezus met zijn leerlingen. De farizeeën luisterden mee en verachten hem om zijn woorden. Jezus sprak hen daarop rechtstreeks aan: ‘Jullie farizeeën denken rechtvaardig te zijn in de ogen van mensen? Dat zal misschien zo zijn in de ogen van mensen, maar ……. God kent jullie hart en dat hart is een gruwel in Zijn ogen.
Het is hart tegen hart. En in die context luisteren we vandaag naar de parabel die Jezus dan vervolgens vertelt. En dat is, ook voor ons, een spiegel om in te kijken. In deze gelijkenis wordt het leven van een rijke en een arme man naast elkaar gelegd. De rijke heeft dure kleren, getuigend van zijn hoge status, waar de arme bekleed is met zweren en dus onrein. De rijke heeft teveel aan voedsel, in tegenstelling tot de arme die afhankelijk is van de resten. De rijke heeft zoveel meer dan een dak boven zijn hoofd, waar de arme niets heeft om zijn hoofd op te laten rusten, slechts een poort om tegen aan te leunen.
Ja, wij hebben op deze plaats voedsel te over, waar op andere plaatsen in de wereld mensen omkomen van de honger Wij hier hebben en dak boven ons hoofd, waar elders anderen slechts overleven en nergens thuis zijn. Wij hier zijn vrij, waar aan velen elders de vrijheid wordt ontnomen. Wij leven in vrede, waar op andere plaatsen mensen elke dag weer opnieuw vrezen voor hun leven.
Hoe pijnlijk die kloof, hoe pijnlijk deze waarheid. Des te meer waar er geen enkele verbinding meer is tussen de ene kant en de overkant, hier en elders. Is er dan geen brug te slaan?
Ook de profeet Amos horen we roepen, hoezeer mensen zich wentelen in hun overvloed en alleen zichzelf op het oog hebben en niets doen blijkbaar een optie is. Een egocentriciteit, een arrogantie, waardoor het onheil steeds dichterbij komt. Het is van alle tijden.
In het evangelie ligt de arme aan de poort van het huis van de rijke. Juist daar! Het kan niet anders dat hij hoopt gezien te worden door de rijke man. Zal hij worden gezien? Zal hem iets worden gegund van de overvloed van die ander? Afhankelijk is de arme van die ander, afhankelijk van zijn barmhartigheid.
De rijke man is onafhankelijk.
Hij heeft het gemaakt.
Hij heeft de ander niet nodig.
Hij leeft aan die ander voorbij.
De een heeft, de ander heeft niet.
Maar, maar… Die rijke die alles heeft, mist iets, wat de arme wel heeft. De arme heeft in tegenstelling tot de rijke man een naam!
Wat dat betekent? Het drager zijn van een naam zegt iets over het hebben van een identiteit, een kern, een mogelijkheid om geroepen te worden, om te horen, dat je staat op heilige grond Abraham , Abraham, Mozes, Mozes, Simon, Simon Voor wie ik liefheb wil ik heten, dicht Neeltje Maria Min.
De arme man heeft een naam. Hij heet Lazarus. En de naam Lazarus is afgeleid van het Hebreeuwse Elieëzer: God is mijn helper. Wat doet dat om drager van die naam te zijn, als je je in een uitzichtloze situatie bevindt?
Waartoe word je dan, als je Lazarus heet, geroepen? Geroepen word je om te vertrouwen dat God zal helpen. ‘God kom mij te hulp, Heer haast u mij te helpen, klinkt het dagelijks in het gebed van kloosterlingen. Geroepen om te blijven uitstaan naar God, je te blijven openen in plaats van afgesloten te raken door wat je overkomt. Geroepen om te blijven staan op die heilige grond van het ‘hier ben ik’.
Ondanks dat hem zo goed als aan alles ontbreekt, heeft de arme man een naam, een identiteit, een mogelijkheid om geroepen te worden, daar open voor te staan, ontvankelijk. Hij is iemand!.
De rijke man blijkt Lazarus wel degelijk te kennen. Eenmaal in het dodenrijk smeekt hij immers Abraham om Lazarus naar hem toe te sturen om zijn pijn te verzachten. De rijke krijgt nul op zijn rekest. De rollen zijn nu omgedraaid. Hoe pijnlijk. Waar de kloof tussen de arme Lazarus en de rijke man niet wordt overbrugd tijdens hun leven, kan dat blijkbaar ook niet meer gebeuren in het leven na de dood. Dat geldt ook voor zijn vraag om waar, hij dan zelf niet gered kan worden, zijn broers te redden door hen te waarschuwen.
Waarom kan dat toch niet? Waarom vroeg ik mij af?
Waarom kan de kloof niet alsnog worden gedicht?
Zoekend naar een antwoord :
Het kwaad kan niet ongedaan worden gemaakt. Het goed kan het kwaad niet opheffen, het kwaad is er. Het kan niet omdat het kwaad vraagt om erkenning. Het moet worden doorleefd, beleden, wil het worden vergeven. Iets als : ‘Was mij schoon, mijn handelen is besmet door eigenwaan, besmet door dat op mijzelf gericht zijn, dat eigenbelang. Waar schuld niet wordt erkend, niet wordt beleden, is de kloof onoverbrugbaar. Waar geen gezond zonde-schuldbesef is, is er geen weg. Geen weg naar vergeving en verzoening. Geen weg naar ontvangen van liefde om niet. Dan blijft er die onoverbrugbare kloof!
Hoe essentieel is een gezond schuldbesef waar door mede jouw toedoen, jouw onverschilligheid een diepe kloof is ontstaan. Besef van dat wat is gebeurd, wat je gedaan hebt, dat dát niet had mogen gebeuren. Dát besef is de toegangspoort tot die ander. Door bewogenheid, doordat je je inleeft in die ander, door wat je hem of haar aandeed, dáárdoor kan de kloof worden overbrugd. De ander krijgt een naam! Jij bent ….. De ander gaat voor jou leven.
Door het oog in oog staan, kun je niet anders dan dat je wordt bewogen en beseft: Ik ben mijn broeders hoeder. Dan kan het niet anders dan dat je beseft: Ik ben antwoordmens.
Op deze plaats mogen we ons oefenen in verbinding, in overbruggen van verschillen, de kloof die onvermijdelijk ontstaat, Oefenen vanuit het verlangen genoemd te worden ieder bij onze diepste naam. Dat vraagt dat oog in oog staan.
De wereld schreeuwt om bewogenheid. Het is die bewogenheid waaruit de vrede ontspringt, de kloof tussen arm en rijk kan worden overbrugd. Hij. die om mensen, om ons, bewogen is, is de Bron! Mag het zo zijn!