Lc. 12 : 49 – 56

Tineke Renkema
Lezing
Jeremia 23 : 23 – 29

Overweging door Tineke C.M. Renkema-Boersma

Afbreken om weer op te kunnen bouwen! Als grond voor het evangelie van vandaag woorden van de profeet Jeremia: een vurige profeet. En dat past wel bij het vuur waarover in het evangelie van Lucas wordt gesproken.

Jeremia, een profeet, geroepen werd hij.Geroepen om koninkrijken uit te rukken en te verwoesten, te vernietigen en af te breken. Dit móest gebeuren om weer op te kunnen bouwen en te planten. Soms moet dat zo: Afbreken om weer op te kunnen bouwen.

Jeremia werd geroepen om deze heftige boodschap, om af te breken omwille van, over te brengen. Niet voor niets maakte God Jeremia tot een onneembare stad, een ijzeren zuil, een bronzen muur. Zo wordt hij toegerust om zich te weer te kunnen stellen, want de leugenachtige profeten kunnen zijn pijnlijke boodschap niet verdragen. Deze profeten wagen zich niet aan de waarheid. Zij blijven liever mooie dromen dromen. Zij bewerkstelligen dat het volk God vergeet, laten zich leiden door eigen belangen Ook al is de boodschap van Jeremia allesbehalve welkom en roept hij grote weerstand op: Hij laat zich de mond niet snoeren. Jeremia blijft trouw aan zijn opdracht om af te breken omwille van dat nieuwe koninkrijk.

Eerder stond in het evangelie van Lucas dat Jezus met een vastberaden en hard gezicht onderweg gaat naar Jeruzalem. Ook Hij : een onneembare stad, een ijzeren zuil, een bronzen muur Jezus weet: Er moet worden afgebroken, wil er werkelijk iets nieuws kunnen beginnen, dat nieuwe koninkrijk van God hier op deze aarde.

Het hart van Jezus brandt! We horen hem zeggen: “Ik ben gekomen om een vuur te ontsteken en wat zou ik graag willen dat het al brandde”. Wat voor een vuur is dat? Het vuur van Gods aanwezigheid. Het vuur dat Mozes zag toen hij de doornstruik in brand zag: Een vuur dat in hem brandde maar niet verteerde. Het vuur van de liefde. Het vuur dat uitzuivert en transformeert.

In Jezus brandt dit heilig vuur: Een brandend verlangen naar dat koninkrijk van God. Dat koninkrijk waar mensen elkaars gezicht opdelven, recht doen, elkaar behoeden en bewaren.

Maar dit verlangen heeft een keerzijde: De angst. We horen Hem zeggen:

‘Ik moet een doop ondergaan en ik word hevig gekweld zolang die niet is volbracht’ Nee, nu niet de doop waar die stem klinkt: Je bent mijn geliefde Zoon’, Nee, deze doop zal Hem onderdompelen in het lijden. Hij zal zijn leven verliezen omwille van…. Omwille van dat niet te stuiten verlangen in hem. Dat volgehouden verlangen naar dat nieuwe koninkrijk. Jezus weet: Het kan niet anders. Er moet worden afgebroken om iets nieuws te kunnen beginnen. Hij weet, beseft : Dat zal in de eerste plaats Hem persoonlijk treffen. Het is zijn eigen leven dat zal worden afgebroken omwille van dat nieuwe koninkrijk. Deze doop zal Hij moeten ondergaan.

Wat brengt dit besef in Hem teweeg? We horen hem direct daarna zeggen: Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen?Ja, dat is wat wij dachten, maar….. over welke vrede gaat het dan? Ja, we zijn bedoeld om te gaan naar die ander, onszelf uit handen te geven,te leven omwille van… Ja, dat verlangen is in ons, in mij gelegd

Maar…

Ik ben ook bang.

Bang om te geven, zonder de zekerheid te zullen ontvangen.

Bang om te verliezen wat ik verworven heb.

Bang mijzelf uit handen te geven.

En laat ik me leiden door die angst, dan…..

Dan dooft het vuur.

Het vuur waar de liefde en de waarheid samengaan.

Werkelijke vrede vraagt op geen enkele manier te willen bezitten en bezetten. Werkelijke vrede vraagt om dat uit handen geven: Alles is van U, beschik erover, geheel volgens uw wil. En dat stuit op, weerstand, verzet, verdeeldheid. Wie wil zijn bezit, zijn eigen belang af laten breken omwille van : ‘Zie ik ga iets nieuws beginnen?’ Wie wil gemeenschap in zijn Naam openbreken, afbreken omwille van het nieuwe, omwille van toekomst?

Die verdeeldheid in onszelf wordt ook pijnlijk zichtbaar in de bestaande verhoudingen, binnen onze relaties, tot in de meest intieme relaties, horen we. Het is opvallend dat Jezus die verdeeldheid tussen de generaties plaatst. Vader tegenover de zoon en omgekeerd, Moeder tegenover de dochter en omgekeerd, Schoonmoeder tegenover schoondochter en omgekeerd.

Ja, het gaat dus over toekomst. Omwille van toekomst, toekomstige generaties. Het gaat om dat vurige verlangen naar dat nieuwe koninkrijk niet uit te laten doven, maar het mogelijk te maken dat dat vuur oplaait.

En ja dat kost. Er moet worden afgebroken en dat is pijnlijk. Die wijze van leven, zo kostbaar, omdat je ooit daaraan leven hebt gevonden. Ja, dat moet je vroeg of laat of laat uit handen geven.

Je moet durven verliezen omwille van ….. Omwille van dat vuur, dat heilig vuur. Om dat heilige oorspronkelijk vuur opnieuw weer op te laten laaien. Dat vuur waarvan Jezus zegt: Wat zou ik graag willen dat het al brandde.

Wij weten: Het kan niet anders. Er moet worden afgebroken om iets nieuws te kunnen beginnen.

Mag het zo zijn.