Lc. 8, 26 – 39

Els Vis
Lezing
Jesaja 65, 1-9

BEVRIJDING

Er zijn mensen die verwórden tot beesten. Schreeuwend. Tierend. Bezeten als ze zijn. Door de demonen van rechtsextremisme, egoïsme, narcisme, machtswellust.

Er zijn mensen die worden néérgezet als beesten. Zij zijn niet langer mensen, mannen en vrouwen, met dromen en verlangens, nee, het zijn ‘ratten’, ‘kakkerlakken’, ‘ongedierte’ dat bestreden moet worden. Zo klinkt de wreedheid van etnische en religieuze conflicten, van oorlog, van deportaties in de Verenigde Staten, van het dehumaniseren van asielzoekers in ons eigen land.

Te midden van al die wereldse heftigheid klinken Jesaja’s woorden, Gods eigen stem: “Ik sta open voor hun vragen, maar er was niemand die iets vroeg. Ik was voor elk van hen te vinden, geen mens die mij zocht. Tot een volk dat mij niet aanroept zeg ik: Hier ben ik, hier ben ik. Heel de dag sta ik met uitgestoken handen tegenover een opstandig volk dat op de verkeerde weg is en zijn eigen ingevingen volgt.”

Het heeft iets diep ontroerends, die stem van Boven, die stem in onze diepte: Hier ben ik. Mijn handen uitgestoken naar jullie. Naar jou. Naar mij.

Dat is precies wat Jezus doet met de bezetene, de man bezet door demonen, als een beest vastgeketend en in zijn razernij zichzelf steeds weer uit zijn boeien lostrekkend. Jezus steekt zijn handen naar hem uit door hem te vragen naar zijn naam. Hij vraagt hem niet: “Hoe heet je?” Hij vraagt hem: “Wat is je naam?” Oftewel: “Wie ben je? Waar kom je vandaan? Waar wil je naartoe? Wie of wat weerhoudt je?”

Echt willen weten wie die ander is. Willen weten wat hem of haar drijft. Bij het kiezen van een politieke partij, bij het innemen van een standpunt, in het gaan van iemands eigen weg. Dat vraagt wat van mij: dat ik mijn aannames parkeer, mijn vooroordelen opzij zet, mijn emoties in bedwang houd, niet voor eigen gelijk ga. Het vraagt dat ik mij niet laat bezetten door angst, cynisme, irritatie of boosheid. En dan kan het zomaar zijn, dat die ander minder bezeten is dan ik dacht. Dat ik van die ander ook een onmens had gemaakt, bezet als ik zelf was door mijn eigen overtuigingen.

Want zie, daar zit een gewone man, gekleed en bij zijn volle verstand, zittend aan Jezus’ voeten en hij vraagt: “Mag ik bij jou blijven?” Heel begrijpelijk. Ik zou ook willen blijven bij iemand die zo vol liefde naar mij kijkt, mij tevoorschijn kijkt. Bij wie ik alles los mag laten

wat ik zo nodig denk omhoog te moeten houden en bij wie ik gewoon mezelf mag zijn. Bij die mens van bevrijding.

Nog even terug naar het antwoord van de man op Jezus’ vraag: “Wat is je naam?” Namen hebben in de Bijbel altijd een symbolische betekenis. In een leerhuis over het Marcus evangelie kreeg ik daar een fascinerende uitleg over. Lucas heeft het verhaal over Legioen overgenomen uit het oudste evangelie, dat van Marcus. Het Marcus evangelie is geschreven op een cruciaal moment in de geschiedenis van de joden en de messiaanse beweging. Zo rond 70 na Christus, als in de Joodse Oorlog, het verzet van de joden tegen de Romeinse bezetter, de genadeslag krijgt. Het is een gruwelijke oorlog die volgens de overlevering aan wel 100.000 mensen het leven kost.

In dit Marcus evangelie, geschreven in het oud-Grieks, komt slechts een enkele keer een Latijns woord voor, als een code waarmee wordt verwezen naar het Romeinse Rijk. Op de vraag naar zijn naam antwoordt de man met een Latijns woord: Legio. De man staat symbool voor de legioensoldaten die dood en verderf zaaien, voor de Romeinse bezettingsmacht. Het tiende legioen, dat een vernietigende rol speelde in de Joodse oorlog, gebruikte onder meer het zwijn als symbool. Dit verhaal is een politiek verhaal, een bevrijdend verhaal: de bezetting, de onderdrukking, zal worden overwonnen.

Vraag je tegenstander naar zijn naam. Ga in gesprek. Die weg slaat Jezus in. Niet de weg van miljarden investeringen in de oorlogsindustrie. De wereldse macht, van het imperialisme, het kolonialisme, het kapitalisme, deze macht zal uiteindelijk zijn meerdere vinden in de macht van de liefde. Dat is het perspectief dat ons aangereikt wordt.

Is dat niet een al te optimistische kijk op de wereld? De Amerikaanse mensenrechtenactivist James Baldwin zei ooit: “Ik kan geen pessimist zijn. For I am alive.” Ik ben een optimist, omdat ik leef. Of zoals Jesaja zegt: zolang er sap is in een druiventros, moet je deze niet opgeven.

Wat is je naam? In de Bijbelse zin van het woord wordt mij hiermee gevraagd naar mijn levensinvulling. Laat ik mij bezetten door alle leed van deze wereld, de demonen van cynisme, angst, en neerslachtigheid? Of durf ik te leven vanuit geloof in daadkracht en saamhorigheid en wat die allemaal voor goeds teweeg brengen en al teweeg gebracht hebben? Sta ik mezelf toe te geloven dat het leven mij iedere dag weer gegeven wordt om van te genieten, om mij over te verwonderen, om mij voor in te zetten. In dat geloof steekt God zijn handen uit naar mij, naar jou, naar ons.

“Mag ik bij jou blijven?” vraagt de man, bevrijd van zijn demonen. Nee, dat mag hij niet. Zijn oude naam heeft hij afgelegd. Hij moet nu anderen gaan vertellen over zijn échte naam, over hoe hij die heeft teruggekregen en hoe hij die naam leeft.

Jezus vraagt ons vandaag: “Wat is jouw naam?”