Lc. 24, 13 – 35
- Lezing
- Gen. 28, 10-22
KEER OM!
(Steen neerleggen) Jakob gebruikt een steen – misschien wel een steen als deze – om zijn hoofd op te laten rusten. Weinig comfortabel, maar hij maakt dan ook geen comfortabele reis. Jakob is op de vlucht voor zijn broer Ezau van wie hij de zegen van de eerstgeborene heeft afgepakt. Ezau is woedend en heeft zich voorgenomen om zijn broer te doden zodra hun vader is overleden. Jakob vlucht. Weg uit het land waar voor hem en zijn volk toekomst was beloofd. Alles lijkt verloren.
Ook de twee aanhangers van Jezus zijn op de vlucht. Weg van Jeruzalem, die plaats van marteling en dood. Op de vlucht voor de pijn van desillusie en rouw. Hun meester is een schandelijke dood gestorven. Hoe kon dit gebeuren? Hij zou ons toch bevrijden? Ook hier lijkt alles verloren.
In beide verhalen is sprake van een crisis. In het ene verhaal symbolisch beschreven als de zon die onder is gegaan, en in het andere als de dag die ten einde loopt. Het is donker. We zien geen uitweg, geen perspectief. Een crisis is een beslissend moment, waar je doorheen móet om te kunnen zien hoe je weg verder gaat. Het is voor Jakob en de Emmaüsgangers het moment van een mystieke ervaring.
Jakob ziet een ladder waarop engelen eerst omhoog gaan en daarna weer afdalen. Die engelen zijn dus al hier, tussen ons in. Goed om te weten! Er wordt gezegd dat de engelen gevoelens van schuld, angst, eenzaamheid en verdriet wegdragen naar boven en troost en vergeving uit de hemel meenemen naar beneden. Jakob ontvangt troost en bemoediging: “Ik zal je terugbrengen naar dit land. Ik laat je niet alleen.”
Eenmaal ontwaakt, zegt Jakob: “Hier, op deze plaats, is God aanwezig en ik wist het niet!” Nee, we weten het vaak niet. Blind als we zijn voor Gods aanwezigheid. Net als die Emmaüsgangers, gevangen in hun eigen moedeloosheid. Er loopt een schijnbaar onwetende met hen op die niets heeft meegekregen van alle opwinding in Jeruzalem. Toch weet Hij hen uit te leggen, dat de situatie niet hopeloos, maar juist hoopvol is. “Zien jullie het dan niet?”
Nee, we zien het niet altijd. De twee volgelingen gaan het pas zien als ze Hem niet meer zien. En dan wéten ze: Hij is er niet, maar toch is Hij er. Nu begrijpen ze de woorden van de engelen bij het graf: ze moeten hem niet zoeken bij de doden – bij de wanhoop, bij de uitzichtloosheid – maar bij de levenden. Ze lopen de verkeerde kant op! Ze moeten omkeren. Het goede nieuws gaan brengen, van hoop, van leven door de dood heen!
Jakob loopt de weg terúg die Abraham ooit heen liep. Hij verlaat het land dat aan zijn voorvaderen was beloofd. Zijn bedrog, zijn zelfingenomenheid, hebben hem uit koers gebracht. Maar in zijn donkerste uur is hij zich bewust geworden van Gods bescherming en nabijheid. Ooit zal hij – zij het met een omweg – ook omkeren.
De harde steen onder Jakobs hoofd is – net als de steen voor Jezus’ graf – weggenomen en tot een gedenksteen geworden. Als een symbool van de verbinding tussen God en mens: “Ik laat jou niet alleen.” (Steen omhoogzetten) De plaats van verlatenheid is het huis van God geworden. Het graf van een dode is een plaats van hoopvol leven geworden. De toekomst ligt weer open.
Maar we leven in een gebroken wereld, vol met stenen. Hard, koud, pijnlijk. Struikelstenen, waar we ons telkens weer aan stoten. Een ezel stoot zich geen drie keer aan een steen, maar wij mensen, wij blijven struikelen. Want we vergeten ze of negeren ze en dan stoten we ons de volgende keer opnieuw. Zo blijft alles onveranderlijk, onbeweeglijk. Maar wat als die stenen, telkens als we ons eraan stoten, willen zeggen: Keer om!
Keer om! Dat mag de boodschap zijn van vandaag. Keer om als je ruzie hebt met je broeder of zuster, als iets wat je hebt gedaan of gezegd als een steen op je maag ligt en tussen jou en de ander staat. Keer om als je niet op de plaats bent waar je zou moeten zijn. Keer om van alles wat geen leven geeft. Je mag geloven dat God aan je zijde staat.
Maar hoe moet het verder met onze gebroken en met harde stenen bezaaide, wereld? De broedermoord die dag na dag plaatsvindt, de vernietiging van onze aarde, het bedrog dat machthebbers onophoudelijk plegen, de ongelijkwaardigheid van mensen die wordt gepredikt, de afbraak van democratische waarden ... ontelbare struikelstenen die langs alle kanten opdoemen. Hoe kunnen we van deze stenen een huis van God maken?
We bidden. We hangen een vredesvlag op. Maar toch blijven we ons stoten aan die stenen. Want wat nog veel belangrijker is: de Gazanen, de Oekraïners, de Congolezen, de Jemenieten, de transgenders, de ongedocumenteerden, de minderheden, de armen – zij worden onder die stenen bedolven. Hoe leeg klinken dan de bijbelse visioenen en idealen over die wereld van vrede en recht? Wat hebben zij aan die mooie woorden van bevrijding als bevrijding uitblijft? Wie breekt voor hun het brood van solidariteit zolang wij uit zelfbehoud geen rode lijn trekken? Waar zijn hun engelen die hun verdriet en pijn omhoog dragen en naar hen afdalen met troost en hoop?
Ik weet het niet. Dat is mijn – en misschien ook wel jullie – ongemakkelijke waarheid. Tegelijkertijd brandt die onverteerbare waarheid als een vuur in mij. En misschien is het dat vuurtje in mij, in ons, dat vuur in die twee aanvankelijk net zo moedeloze Emmaüsgangers, die ons erbij doet blijven; bij het lijden, bij het onrecht. Want dat vuurtje zegt mij dat het anders kan, dat het anders moet. Dat we moeten blijven zeggen tegen onszelf en tegen iedereen die het horen wil: keer om! In een stem op een politieke partij, in een petitie, in een vlag, in een donatie, in een gebed, in een demonstratie, in een poster voor het raam. Zegt het voort: ‘Keer om!’
En dat we dit kunnen staat in Deuteronomium: “Het woord dat ik je geef, is niet te hoog voor jou. Het woord ligt niet buiten je bereik. Het woord is dichtbij, in je mond in je hart. Jij kunt het volbrengen.”
Mag het zo zijn.