Mc. 10, 46 – 52

Annet van Straaten
Lezing
Jer. 31, 7 - 9

TITEL: ‘Steeds opnieuw weer op weg.’

‘Ga je weg’ is het thema vandaag, zoals Berti al aanhaalde. ‘Ga je weg’, als oproep en aanmoediging. Het is geen gangbare uitdrukking. In onze tijd klinkt eerder: Ga weg! B.v. in Gaza. Of in Zuid-Libanon. Of: ‘We moeten weg hier, blijven betekent gebombardeerd worden. En in West-Europa klinkt steeds openlijker: kom niet! Blijf weg!

Mensen die wegtrekken, die oorlog of honger of onderdrukking ontvluchten, zijn van alle tijden.

De beschrijving van Jeremia over het gaan van blinden en lammen, van zwangeren en vrouwen in barensnood roept die prijswinnende foto uit Marioepol terug in herinnering, van die hoogzwangere vrouw, die tussen het puin door uit een kapotgeschoten ziekenhuis werd gedragen. Wie heeft niet die overvolle auto’s op zijn netvlies, waarin gezinnen zoveel mogelijk van hun huisraad hebben opgestapeld, op weg naar een plek waar wél leven en toekomst mogelijk zal zijn. Het is van alle tijden: mensen die wegtrekken.

Is er wel reden voor die hoop, die Jeremia laat horen, al vóórdat de ballingschap plaatsvindt? Want die zál plaatsvinden. Jeremia had daar al voortdurend in allerlei toonaarden voor gewaarschuwd. Maar in de lezing van vandaag schildert hij naast alle ellende die aanstaande is, toch ook een hoopvol visioen: ja, het volk wordt verdreven, maar daarna komt er een andere tijd. Dan zullen ze weer samen worden gebracht. Want, zegt de Heer, ik ben voor hen een Vader. Ik zal redden wat er van het volk overbleef. Die zal ik opnieuw samenbrengen.

‘Ga je weg’ is niet alleen ‘zelf gaan’. Er is ook sprake van een ‘geleid worden’ Bij Jeremia gaat het over ‘thuisgebracht’ worden. En dat betreft diegenen die tijdens de ballingschap hebben vastgehouden aan hun Heer en trouw zijn gebleven aan de Thora. Díe zullen ooit weerkeren uit de ballingschap. Jeremia noemt dan de mensen uit het noorden en mensen van het einde der aarde, die worden samengebracht. Harrie leerde ons dat in het noorden van Israël de vijanden zich ophielden en daar dus ook de ballingen hadden heengevoerd. En in de Naardense Bijbel staat ‘van de einden der aarde vertaald met ‘van de

heupen der aarde.’ Heupen en alles wat zich daartussen bevindt, is het gebied dat bedekt wordt, niet gezien wil worden, beschouwd wordt als het lagere van de mens. Tegelijk zijn heupen ook het gebied waar het nieuwe leven uit voortkomt. Daarmee krijgt Jeremia’s visioen nog meer de betekenis van een hoopvolle boodschap voor ieder mens; ook, of liever voorál voor de onaanzienlijken. God laat hen niet in de steek. Het is de paradox over dat juist de kwetsbare mensen, die mensen die zich niet kunnen handhaven, degenen zijn die gered zullen worden en waar het nieuwe leven uit verwacht mag worden.

Een paradox? Of eigenlijk een gegeven? Want, kwam in mij omhoog, van de menselijke leiders hoeven we het momenteel immers niet te hebben. Van de overheid hebben we steeds minder te verwachten, als het gaat om hulp bij kwetsbaarheid. De tijd geeft voorlopig niet veel uitzicht op verbetering daarin. Het lijkt erop dat het eerder nog slechter zal worden, voordat het beter wordt. Zoals in de tijd van Jeremia er eerst een ballingschap moest plaatsvinden, voordat het visioen van thuisbrengen werkelijkheid werd.

Maar zou je dan, om de tekst uit te dagen, kunnen zeggen: als het dan allemaal dreigt slechter te worden, komen we daarmee dan meer in aanmerking voor een redding door God? Want dát is de groepering die God op het oog heeft: de kwetsbaren.

En dat brengt me bij die blinde bedelaar. Waarbij me opviel, hoe erg die eraan toe is: blind én bedelaar! Iemand die ook niet of niet meer geholpen wordt door zijn familie. Die zelf niets meer heeft. En dus moet bedelen om aan de kost te komen. Maar: hoewel hij niets meer heeft, heeft hij wél een verlangen. En dat volgt hij. Dat verlangen brengt hem naar de weg, die Jezus gaat. Hij zit erlangs. Langs die weg. En als Jezus voorbij komt, roept hij Hem. Luidkeels, staat er. Hij is de schaamte voorbij. Of misschien juister gezegd: zijn verlangen is groter dan zijn gêne. Als de mensen hem zeggen, dat hij zijn mond moet houden, trekt hij zich daar niets van aan en schreeuwt nog harder naar Jezus. En noemt Hem daarbij ‘zoon van David.’ Die blinde heeft dan wel niets meer, maar hij gelooft in wie Jezus is: Jezus de beloofde Messias, die de troon van Zijn voorvader David zal erven. Én hij beseft zijn eigen situatie: ‘Heb medelijden met mij!’ Voordat je dat toch zegt tegen een ander! Dan heb je niets meer te verliezen. Als je niets meer te verliezen hebt, dan weet je wat er echt toe doet, wat echt leven geeft. Jezus bevraagt de blinde daarover: ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ ‘Rabboeni’, de vertrouwvolle aanspreektitel voor ‘leermeester’; de man vertrouwt zich aan Jezus toe. ‘Zorg dan ik kan zien’. Hij vraagt om visie. En dat geloof ziet Jezus en bevestigt Hij in de man. ‘Ga heen, uw geloof heeft u gered.’ Meteen kon de man zien. Hoe kan dit? Over welk geloof gaat dit? Het is het geheim van het geloof dat bergen kan verzetten; het geloof dat het onmogelijke mogelijk kan worden. Het geloof van de hoop, die werkelijkheid wordt.

Ik vermoed, dat in ieder van ons zo’n blinde bedelaar zit, anders waren wij nu niet hier. En die bedelaar is keer op keer onze redding. Die brengt ons in tijden van nood steeds weer naar de weg die Jezus ging. Zoals in de Leefregel ‘Lech lecha’ vertaald wordt met ‘de weg die jou brengt naar wie je bent.’ We mogen erop vertrouwen, dat wanneer we daar gaan zitten in afwachting van Jezus’ komst, dát Hij ook langskomt. En als we ons verlangen uitroepen, dat we dan ook antwoord zullen krijgen. Een antwoord, waardoor wij weer zien hoe wij onze weg weer verder kunnen gaan.

Ik kan het niet laten om tot slot nog een woord te wijden aan die omstanders. Die eerst tegen de blinde zeggen (snauwen, in sommige vertalingen), dat hij zijn mond moet houden. En die, nadat Jezus aandacht gaf aan zijn roepen, tegen de blinde zeggen: ‘Houd moed, sta op, Hij roept u.’ Zo zijn wij dus. Dekselend en afkappend. En het volgende moment bemoedigend en bevestigend. Wat doen we elkaar soms toch aan! Een ontluisterende spiegel, die ons hiermee wordt voorgehouden. Maar óók een oproep om vooral op onze innerlijke stem te vertrouwen en ons diepste verlangen niet te laten tegenhouden door de willekeur in onze omgeving.