Joh. 6, 60 – 69

Tineke Renkema

Evangelie Johannes 6; 60-69

1e lezing: Jozua 24: 1-2a,15,17-18b

Datum 25-08--2024

Overweging door: Tineke C.M. Renkema-Boersma

Ik en mijn huis: wij dienen de Heer.

De woorden uit het boek Jozua klinken nog in mijn oren

Ik en mijn huis: wij dienen de Heer.

Jozua roept het volk op om trouw te zijn,.

om onvoorwaardelijk te kiezen.

Te kiezen voor en trouw te zijn aan God,

die hen uit Egypte heeft weggeleid.

Die oproep om onvoorwaardelijk te kiezen,

horen we terug bij Jezus In het evangelie dat we net lazen.

We hoorden de laatste verzen uit hoofdstuk 6

van het evangelie volgens Johannes

Om iets te verstaan van dit slotgedeelte

kon ik niet anders dan opnieuw,

weliswaar in vogelvlucht,

door dit 6de hoofdstuk, heen te gaan.

We zijn weer in Galilea,

Daar is het ooit begonnen

met het verhaal over de wijn.

Herinneren we ons die bruiloft te Kana:

Van ‘we hebben geen wijn meer’ tot een ‘overvloed aan wijn’.

In dit 6de hoofdstuk zijn we opnieuw daar in Galilea,

Maar nu gaat het over het brood.

Velen mensen zijn verzameld rond Jezus

vanwege de wonderen die Hij deed.

Hij zag hun honger.

Hij was om hun bewogen

Slechts vijf broden en twee vissen,

door hem gebroken, gedeeld.,

Zo was er voor ieder genoeg.

En dat roept de vraag op: Wie is Hij toch? Een profeet, een koning? Nee, zo niet, dat is Hij niet, wil dat ook niet zijn, juist niet. Hij trekt zich terug. Het wordt nacht. De leerlingen alleen in de boot. Jezus loopt over water, baant een weg een weg door de afgrondelijkheid, oerkrachten,

doods-en levens drift.

Ik ben het, zegt Hij, wees niet bang!

Ik ben!

Opnieuw mensen die hem zoeken en vinden.

Brood? Ja brood uit de hemel. Dat kennen ze.

Het manna: Dat brood om de woestijnvraag aan te kunnen

Woestijnvraag? Dat is de vraag, die bij ons opkomt,

wanneer het bestaan dor en leeg is,

wanneer we op onszelf worden teruggeworpen.

die vraag naar de zin van alles, het waarom, waartoe.

Er zijn van die dagen, langere periodes soms!

We hebben er weet van.

Maar voor Jezus blijft het niet bij dat manna, dat brood om het leven aan te kunnen. We hoorden het de vorige zondag al Hij vereenzelvigt zich met dat brood wanneer Hij zegt: ‘Ik ben het brood!’ Het is die verbinding met mij, waaraan je leven zin en betekenis kan ontlenen. Hij waagt te zeggen: Ik ben!

Ik ben helemaal doortrokken van God

Ik ben het die gebroken, gedeeld,

gegeten en gedronken moet worden.

Mijn lichaam, mijn bloed,

Eet mij, drink mij!

Wie mij eet en drinkt, zal niet sterven, maar Leven.

Dan is het de vraag:

Wie waagt zich aan Hem, wie durft hem aan?

Sommigen van zijn leerlingen kunnen het niet aan.

Hem helemaal opnemen?

Zijn liefde zo opnemen dat je jezelf prijsgeeft?

dat je je leven geeft!

Eet mij, drink mij, zegt Hij.

Harde woorden zeggen mensen om hen heen.

Niet om aan te horen.

Ze tekenen protest aan.

Ze ergeren zich aan Hem.

Zij ergeren zich aan wat in hun ogen getuigt van

overmatig zelfbewustzijn, arrogantie.

Wie denkt Hij wel te zijn!

Wat gebeurt er dan toch. Toen ik hier over nadacht:

We kennen dat mechanisme goed:

Waar wij geconfronteerd worden met ons onvermogen

om zo’n grote overgave te leven,

kan het zijn, dat we, dat gevoel van niet aankunnen,

omzetten in ergernis..

We willen niet kijken in die spiegel van ons onvermogen.

Zo zal het gaan

gaandeweg zullen zij hem helemaal niet meer verdragen

Hij zal uiteindelijk worden uitgeleverd

maar : zover, zover is het nog niet.

Die uitspraken van Jezus, dat het niet gaat om je eigen leven, maar om de Geest. niet om ons leven, maar om onze ziel, dat orgaan op God afgestemd, dat het gaat om Hij in mij, ik in Hem. dat het er om gaat mijn leven te geven, het leven voor zover ik dat ontvangen heb: Nee, dát komt maar heel moeilijk binnen.

En dan die vraag aan zijn 12 leerlingen

die kring dicht om hem heen

die samen met Hem onderweg zijn:.

‘Willen jullie ook heengaan?’

Willen jullie ook heen gaan, wij zoals wij hier zitten? Wagen we ons zo aan Hem te verbinden?. De vraag is: Gaan wij Hem achterna of van Hem weg, Gaan wij weg om onze eigen weg te gaan? Gaan wij weg om niet in de spiegel te hoeven kijken van ons onvermogen Vertrouwen wij ons toe? Kiezen we te gaan Hem achterna,

Wil ik ook heengaan?

Lastig om daar geen verkeerde gewetensvraag van te maken.

alsof er van mij een huzarenstuk wordt gevraagd.

Want in dat geval is nog steeds mijn ego in ’t geding

Waar het begint bij mij, raak ik in de knel.

Wat doet mij dan bij Hem blijven?

Nee, niet als eerste mijn liefde voor Hem

maar zijn liefde, zijn bewogenheid voor mij.

Dat hij, ondanks mijzelf, mij heeft aangeraakt,

in mij een bron geopend heeft van levend water.

Het is aan mij, om dat helemaal op te nemen,

Hem te eten, te drinken.

En, waar ik niet in staat ben,

te aanvaarden, dat hij mij aanvaardt zoals ik ben,

mag ik weten : Hij neemt voor lief mijn onvermogen.

Het is zijn bewogenheid, die beweegt in ons

wat ons tot bewogen mens maakt

en mij doet geven.

Bij Hem blijven? Als het antwoord ja is, is het een antwoord op wat ontvangen is. Ook Petrus getuigt daarvan. Hij kiest om bij Hem te blijven omdat Jezus woorden gesproken heeft die zijn ziel hebben bereikt, een inslag. Woorden doortrokken van God, van eeuwigheidswaarde. Petrus weet van wie Jezus heeft ontvangen. Ook voor Jezus was het geen huzarenstuk.

Bij Hem blijven?

Ik, wij, dit huis wij kiezen te gaan ‘Hem achterna

We zullen ontvangen wie we zijn

om te worden wat we ontvangen.

Mag het zo zijn.