Mc. 1, 21 – 28
- Lezing
- Deut. 18: 15-19
(HEDENDAAGSE) PROFETEN ALS PARTNER VAN GOD
Dèvariem. Zo luidt de Hebreeuwse titel van het Bijbelboek Deuteronomium. Dèvariem. Woorden. Het boek gaat over de Tien Woorden, die het hart vormen van het verbond tussen God en het volk Israël. WOORDEN [ook] van afscheid van Mozes, nadat hij het volk veertig jaar door de woestijn heeft geleid tot aan de grens van het beloofde land. In drie redevoeringen geeft Mozes precies weer hoe dit verbond met God te leven. Het leest als een verdrag met bepalingen, wetten en regels over de meest uiteenlopende onderwerpen.
Een van die onderwerpen is profetie. ... Profeten, de boodschappers van God, worden geroepen om mensen te bemoedigen, aan te sporen of te waarschuwen. “God zal uit ons midden steeds weer een profeet laten opstaan, zegt Mozes, “een profeet zoals ik. Naar hem moeten jullie luisteren.” We worden ervan verzekerd dat er altijd iemand zal zijn die in verbinding staat met God en ons herinnert aan het verbond.
Jullie hebben er zelf om gevraagd, zegt Mozes. Hij verwijst naar zijn ontmoeting met God op de berg Horeb, in aanwezigheid van het volk, zodat iedereen God kon horen spreken. Maar de godsontmoeting wordt door de mensen beleefd als een aardbeving, een vulkaanuitbarsting. Het is niet om te hebben, zó eng. Dat willen zij niet nog eens meemaken. Als God tot hen wil spreken, dan moet hij dat maar via Mozes doen.
Mozes stribbelt eerst vijf keer tegen, voordat hij zich wijdt aan de opdracht die God hem geeft. Profeten zijn tenslotte ook maar mensen. Ook anderen zijn niet meteen enthousiast als ze door God worden aangewezen om Zijn boodschap over te brengen. Het is dan ook geen geringe taak om afgezant van de Ene te zijn. Je gezag wordt niet altijd erkend. Het is vaak eenzaam en het vraagt doorzettingsvermogen en moed.
Waarom het dan toch doen? Omdat ze zijn aangeraakt. Profeten zijn niet simpelweg boodschappers, instrumenten, van God. Zij zijn aangestoken door een heilig vuur en dit vuur maakt hen – ondanks al hun angst en terughoudendheid – tot een partner van God. Ze kúnnen niet anders dan God dienen, de rechtvaardigheid dienen, de liefde dienen “met heel hun hart, met heel hun ziel, en met heel hun verstand”.
In het verdrag tussen God en mensen – waar de profeten ons steeds weer op aanspreken – staan onder meer bepalingen en voorschriften over een eerlijke en rechtvaardige omgang met anderen. Dat we elkaar niet afvallen of bedriegen. Dat we gul geven aan de armen. Schulden kwijtschelden, zodat iemand niet in een spiraal van armoede blijft hangen. Zorg voor de kwetsbaren. Liefde voor de vreemdeling. In alle tijden zijn er mensen
opgestaan die ons hiertoe oproepen. Mensen die proberen met de ogen van God naar de wereld te kijken en daarvan getuigen. Mensen die maatschappelijk onrecht aan de kaak stellen, die in tijden van crisis een weg wijzen uit die crisis. Mensen van geestkracht en hoop.
Zo’n mens was Tiny Muskens, oud-bisschop van Breda. Een verlegen boerenzoon, een gewone jongen van het dorp. Maar die, zoals hij het zelf omschreef, “de vrijheid had veroverd om zich vrij te uiten.” Daarmee gaf hij een stem aan kwetsbare mensen. Hij stelde armoede ter sprake en de uitsluiting en psychische nood die daarmee gepaard ging. Hij deed dit tegen de destijds heersende opvatting in – dat iedereen gelijke kansen had en dat je het goed kon hebben als je die kansen maar zou benutten. Oftewel: armoede is je eigen schuld.
Muskens kwam in opstand tegen de recordwinsten van multinationals en de euforie over stijgende beurskoersen, en dat terwijl sociale voorzieningen werden uitgekleed. Hij veroorzaakte een rel, tot over onze landgrenzen, met zijn uitspraak: “Als er in dit rijke land een gezin is waar geen geld is voor brood, brood voor een kind, in Godsnaam, dan mag je van mij een brood stelen.” Alle reacties op zijn uitspraak, met name de boze en verongelijkte, weerlegde hij als volgt: “Iedereen kan er wel heel overdreven op reageren, maar eigenlijk zeg ik alleen wat ik geleerd heb op de lagere school bij de uitleg van de catechismus.”
Sinds de jaren ’90 is de kloof tussen arm en rijk alleen maar groter geworden. De strijd van Tiny Muskens herinnerde mij aan een recent artikel van SP-politicus Ron Meyer. Een vurig en bevlogen stuk over armoede. Ook hij hekelt het mensbeeld van “eigen schuld, dikke bult”. En wijt de kloof tussen rijk en arm aan politieke keuzes. Van de jacht op burgers wegens vermeende fraude tot het niet belasten van vermogen. Wat mij deed denken aan de Oostenrijkse Marlene Engelhorn. Zij geeft 25 miljoen euro weg, omdat ze vindt dat ze er geen recht op heeft. “Er zijn mensen met een normale baan die niet goed rond kunnen komen,” zegt ze, “maar wel belasting betalen over hun verdiende geld. En ik hoef geen belasting te betalen over mijn miljoenenerfenis. Ik vind dat een falen van de politiek.”
Wat zei het volk Israël ook alweer? “Wij kunnen het stemgeluid van God niet verdragen, dat overleven we niet.” Spreken met God is een angstaanjagende ervaring. Het is té spannend. Maar volgens mij is het niet zozeer het hóren van Gods stem dat beangstigend is, maar het gehóór geven aan die stem. Er antwoord op geven. Je nek uit durven steken. Dat is pas spannend! De profeten geven ons hierin het voorbeeld. Ze durven te kiezen voor God. Dat is opstaan tegen discriminatie. Tegen milieuvervuiling. Tegen het recht van de sterkste. Opstaan, als een David tegen Goliath.
Iemand zei eens tegen mij: “God is wat ertoe doet.” Zo bekeken hebben hedendaagse profeten een groot godsgeloof. Ze geloven in mensen. In menswaardigheid. Ze geloven in gelijke rechten, in gelijke kansen. Ze zien de wereld zoals die zou moeten zijn en kunnen
niet anders dan opstaan tegen krachten die dat visioen in de weg staan. “Jullie moeten luisteren,” zegt Mozes. Laten we in godsnaam naar ze blijven luisteren. Luisteren met ons hart. Om wat word ik bewogen? Door wie word ik geraakt? Welk appel doet mij opstaan?
En als we dan opstaan, dan wordt luisteren doen. We hoeven daarvoor geen tweede Tiny Muskens of Greta Thunberg te worden. We kunnen – gewoon in onze eigen dagelijkse realiteit – het kleine goede doen en een verschil maken. Want dat is waar het de profeten uiteindelijk om te doen is: Geen woorden, maar daden.
Dat het zo mag zijn.