Joh. 1, 6-8, 19-28

Tineke Renkema

Omwille van!

De 3de zondag in advent: de zondag van het verheugen.

Verheugen over het licht dat naderbij komt,

Over de duisternis, die zal wijken voor het licht.

En het is zonde, ja dát zou echt zonde zijn,

als wij niet dáár zijn, waar het licht wordt.

Dat is hoe we geroepen zijn:

Dáár zijn waar het licht wordt,

waar het licht is.

Vandaag een mens, die getuigt van dat licht.

Nee hij is niet zelf het licht

Hij getuigt van dat licht.

Johannes, de door God gezondene

Aan het begin van zijn leven werd zijn naam uitgeroepen.

Johannes zou hij heten: God is genadig.

Zo is hij bestemd, bedoeld.

Hij verbleef in de woestijn, in de leegte.

Daar werd hij uitgezuiverd.

Dáár in die woestijn, in de leegte,

in het land van niets en niemand,

is hij louter stem geworden.

Zo heeft de woestijn op hem ingewerkt

Louter en alleen verlangen,

één en al verwachting is Hij

van Gods genade, die op aarde zal verschijnen.

Er kwamen mensen naar Johannes toe,

naar Betanië, dat huis van de arme,

dat huis waar mensen met lege handen staan

aan de overkant van de Jordaan.

Daar in Betanië,

waar het volk van Israël ooit verbleef

om te kunnen oversteken naar beloofd land.

Daar doopt Johannes:

Gaan door het diepe water

om nieuw leven te ontvangen.

Een doop van bekering!

Het is een beweging waarbij je in het donker staat om daar te worden omgevormd. Door je rug naar dat donker te keren om je dan toe te wenden naar het licht. Om je toe te keren naar die mens die het licht van God in zich draagt naar die mens die op ons toekomt. Het is díe beweging, waartoe we in deze adventstijd worden uitgenodigd. Toekeren naar het licht om ons toe te keren naar elkaar.

Johannes is, dáár in de woestijn, geworden tot louter stem,

En die stem dringt nu door tot in Jeruzalem,

het centrum van de religieuze macht.

Zij worden onrustig, vragen zich af:

Wie is die man?

Wat gebeurt daar?

Een delegatie komt om te vragen naar zijn bevoegdheid,

zijn geloofspapieren, zijn theologische identiteit.

Wie ben jij, Johannes?

Op zich een prachtvraag: ‘Wie ben je’

ware het niet, dat er iets van argwaan, wantrouwen

doorheen klinkt:

Wie ben je dan wel?

En Johannes antwoordt: ‘Ik ben niet’ en nog eens ‘ik ben niet’ en nog een derde keer: ‘ Ik ben niet’ Hij is louter stem geworden. De woestijn, de stilte, de leegte heeft zo op hem ingewerkt. De woestijn heeft hem gemaakt tot iemand die de weg vrij maakt voor de a(A)nder. Niet ik, maar Hij.

Niet ik, maar Hij

De weg die ik verlang, die wij ook verlangen te gaan?

Niet ik, maar Hij!

En in het verlengde daarvan:

Niet ik, maar jij!

Een verlangen dat bij een gemeenschap hoort,

die wil samenleven in zijn Naam.

Dat verlangen dat kan groeien in de stilte, de leegte

in ons bidden:

‘Was ons schoon Heer

Ons handelen is besmet door eigenwaan

door het op ons zelf gericht zijn.

We zijn niet leeg genoeg om Uw stem

en die van de ander te verstaan’

Johannes, uitgezuiverd, gaat ons voor.

We horen het hem zeggen:

‘Niet ik, maar Hij die na mij komt.’

Ik ben het niet waard

om de riemen van zijn sandalen los te maken’

En Hij, die na Johannes komt, wiens komst wij verwachten, jaar na jaar na jaar, telkens weer opnieuw, zal ook niet anders doen dan verwijzend leven. Niet ik, maar U, God, mijn Vader Hij zal voorgaan in het: Niet ik, maar jij mens, van wie ik de naaste ben Niet ik, maar jij mens, die ernaar verlangt gezien, gekend te worden, die ernaar verlangt om bevrijd te worden van de last die je bij je draagt geheeld, verzoend, gedragen. . Niet ik, maar Gij, God Niet ik, maar de Mensenzoon! Niet ik, maar jij. Verwijzend leven: Zo leven met elkaar dat we de weg vrijmaken dat hij geboren kan worden

Mogen wij zo zijn komst verwachten!