Mat. 15, 21 – 28

Petra Speelman
Lezing
Jesaja 56: 1 - 7

GRENSVERLEGGEND

Mensen van God, denkend over deze lezingen van vandaag kwam een gedicht van Toon Tellegen in mij op. Dit gedicht heet: Een streep.

Ik trok een streep;

tot hier,

nooit ga ik verder dan hier.

Toen ik verder ging

trok ik een nieuwe streep,

en nog een streep.

De zon scheen

en overal zag ik mensen,

en iedereen trok een streep

iedereen ging verder.

Jezus trekt een streep. In de verzen voor onze Bijbelpassage heeft Hij een felle theologische discussie gevoerd met de farizeeën en Schriftgeleerden. Het dispuut ging over reinheid en onreinheid, belangrijke begrippen in de godsdienstige praktijk van Israël. Er zijn scherpe woorden gevallen, de sfeer was vijandig.

Na deze confrontatie wil hij afstand nemen, letterlijk. Hij wijkt uit naar de grens, over de grens. Naar een gebied waar andere volken wonen. Hij zoekt rust en stilte. Maar er is iemand die hem niet met rust laat. Een vrouw uit die streek komt naar buiten, ook zij begeeft zich op vreemd terrein, over haar grens. Ze is een Kananese, schrijft Matteus. Dit woord heeft in zijn tijd een negatief geladen klank en verwijst naar een oud volk, met vreemde wetten, van God los. Een beetje een scheldwoord, in de oren van zijn toehoorders. De rouw roept, trekt aandacht, heel ongepast. En wat ze roept: ‘Heb medelijden met mij, Kyrie, eleison, Zoon van David’. Haar moederhart breekt want haar dochter is ernstig bezeten. Bezet door een kwade macht die haar belet om te worden wie zij is. Een oerkreet om bevrijding, naar deze Redder. Met haar woorden belijdt ze dat Jezus dat is, gezonden van Godswege. Gezonden tot het huis van David, het volk van Israël. Ze sluit zichzelf als het ware uit, en toch spreekt ze hem aan.

Een wonderlijk gesprek volgt dan! Jezus wijst haar af, hij hoort haar niet eens. Hij verklaart aan zijn leerlingen dat hij inderdaad gezonden is, maar om de verloren schapen van het huis van Israël te verzamelen.

En als de vrouw blijft roepen wordt hij zelfs beledigend: ‘Het is niet goed om de kinderen het brood af te nemen en aan de hondjes te voeren!’ ‘Tot hier, nooit ga ik verder dan hier.’ Jezus lijkt er zelf van overtuigd te zijn dat hij geen boodschap heeft voor en aan, de volken. Hij trekt een streep. Maar deze vrouw laat zich niet van de wijs brengen en geeft zelfs een gevat antwoord! Ze gaat mee in die beledigende metafoor en geeft er een prachtige wending aan! ‘Ja Heer, de hondjes eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen!’ De zorg om haar dochter maakt dat ze vasthoudt, doorvecht om de weerstand van Jezus te doorbreken. Ze leert Jezus een les met haar geloof dat Gods liefde en barmhartigheid onbegrensd zijn, dat de Eeuwige hoort wie roept om ontferming.

Met haar woorden brengt ze Jezus tot bezinning. Hij laat zich over de streep trekken. Er breekt iets door in zijn zelfverstaan, in het besef waartoe hij geroepen is. Hij ziet haar en er gebeurt genezing: ‘Vrouw, je hebt een groot geloof, wat je verlangt zal gebeuren’.

Matteüs gebruikt dit verhaal, dit leerproces van Jezus, wellicht in zijn eigen jonge gemeente, waar dit vraagstuk ook speelde, over de verhouding tussen christenen uit de joden en christenen uit de heidenen. Voor wie is de boodschap van bevrijding en gerechtigheid in Godsnaam?

Dat blijkt een oud thema, zo horen we in de eerste lezing. De profeet Jesaja spreekt van Godswege: Gelukkig de mens die recht doet en gerechtigheid beoefent. Hij en zij mag ervaren dat de gerechtigheid van God uit doorbreekt. Elk mensenkind dat leeft in het licht van Gods geboden. Ook de vreemdeling, ook de castraat. Dat is ‘de ont-mande’, een mens die niet of niet meer op eigen macht en kracht kan bouwen. Het zijn mensen die veelal aan de rand van de gemeenschap leven, op de grens zou je kunnen zeggen. Voor iedere mens die zich toevertrouwd aan het verbond klinkt deze belofte: aan hen wordt een gedenksteen en een naam gegeven, een Yad Va Shem, staat er. Daarom heet het herdenkingscentrum in Jeruzalem zo, ter gedachtenis aan de Shoah. Iedere mens heeft recht van bestaan, toekomst en een plaats in het huis van de Heer. Dat vraagt om een nieuwe manier van kijken, van jezelf verstaan als volk van God. Voor het volk dat terugkeert uit ballingschap en daar zelf in den vreemde heeft geleefd, temidden van mensen met eigen cultuur en traditie. Voor het volk dat is gebleven en ook daar zich heeft vermengd. Voor dit volk dat opnieuw volk zal worden klinkt hier een oproep om opnieuw, als nieuw, te verstaan hoe de Eeuwige aanwezig is, hoe veelkleurig en veelvormig dat volk- van- God onderweg is geworden en steeds weer in beweging blijft.

Jesaja, de vrouw met haar dochter, Jezus met zijn vernieuwde inzicht, Matteus in zijn gemeente, zij roepen op tot inclusiviteit. Want iedereen die leeft met dat grote verbond van God met mensen, ieder mensenkind dat vol verlangen is naar bevrijding en vrede, en zich daarvoor inzet…. iedereen die zo opbouwt, kan rekenen op Gods nabijheid en trouw en medewerking. Dan breekt gerechtigheid door!

Een opdracht, een uitnodiging, om onze ogen te openen, om ons zelfverstaan te laten openbreken, naar die vreemde ander die toch is zoals ik… En die wenkt, over onze beperktheid en begrensd-zijn heen.

Ik trok een streep;

tot hier,

nooit ga ik verder dan hier.

Toen ik verder ging

trok ik een nieuwe streep,

en nog een streep.

De zon schijnt

en overal zie ik mensen,

en iedereen trekt een streep

iedereen gaat verder.

Op weg, in Godsnaam. Mag het zo zijn.