Mat. 3, 1 – 12
- Lezing
- Jes. 11, 1 - 10
In verwachting van een gedroomde leider
Jesaja: Als ik deze verzen aandachtig lees, wordt er dieper in mij een oud verlangen wakker en roert zich. Natuurlijk, dít is het paradijs. Zó zou het moeten zijn. Zo’n leider zou moeten opstaan: iemand met wijsheid en inzicht, met beleid en sterkte, met kennis. Iemand die ontzag voor de Heer ademt. Iemand voor wie het goede de zuurstof is! Die niet geeft om schone schijn, niet luistert naar ongefundeerd gepraat, recht doet aan armen en verdrukkers en bozen kastijdt. Die rechtvaardigheid en trouw draagt als kleding. En vervolgens komen er prachtige verzen over de ideale wereld die zo’n gedroomde leider zou bewerkstelligen. Een waar paradijs, waar het kwaad niet meer bestaat.
Laten we ons er nu even toe zetten, om ons zo’n wereld voor te stellen! Welke beelden komen op? Wat doen die beelden? Deze Adventstijd is er één van verwachting. Het is de tijd van dromen en hopen! Houd je verlangen dus vast! Neem het mee deze weken naar Kerstmis toe!
Even stil maken.
Ach, Jesaja. Wie wil dit niet? Maar: waar zijn die leiders? In de tijd van Jezus was er een: Johannes! Hij leefde in de woestijn: een plaats van stilte en bezinning. Zijn kleding verwees naar de kleding van de profeet Elia. Hij riep op tot bekering, want: ‘Het rijk der Hemelen is nabij.’ Letterlijk datgene wat kort na hem ook Jezus ging verkondigen: het Koninkrijk der Hemelen is nabij. Woorden die verwijzen naar het paradijselijke visioen van Jesaja. Het Rijk der Hemelen, waar het kwaad niet meer is. Jerusalem, Judea en héél de Jordaanstreek trok naar hem uit! En terwijl hij hen doopten, beleden zij hun zonden. Wat was, wat ís het verlangen groot in ons, naar beter, mooier, eerlijker, schoner leven! Wie wilde vorige week nu niet meedoen met het vrijmaken van de Bron?
Dan komen de Farizeeën en de Sadduceeën. Niet om zich te laten dopen, maar om te kijken. En Johannes geeft hen ervan langs! Hij kastijdt ze met de roede van zijn mond, om met Jesaja te spreken! Zij hebben geen bekering meer nodig. Abraham was immers hun
Vader, dus zijn zij al binnen in het koninkrijk van de Heer; sterker, zijn zij niet de sleutelbewaarders van dat Koninkrijk; de beslissers over wie daar naar binnen mag en wie niet.
Hij brandt hun gedrag tot de grond toe af. Maar tegelijk schrijft hij hen niet af! Hij roept ze ook op, om ‘vruchten van bekering’ voort te brengen. M.a.w.: als jullie dan kennis hebben van het Koninkrijk der Hemelen, handel daar dan naar!
Dat toe-eigenen van het Rijk der Hemelen doet Johannes uitdrukkelijk niet. Hij is ‘slechts’ de wegbereider, hij is dienstbaar aan het komen van die nieuwe wereld. Het gaat niet om hemzelf. Hij verwacht (droomt) zelf van iemand die dat komt bewerken. Hij roept op tot een houding van ontvankelijkheid daarvoor. Een houding van verwachten, uitkijken, hopen. Van openheid dus; van loskomen van jezelf en je eigen belangen, je eigen maat. Hij draagt de belofte dat er – gelukkig- méér is in het leven dan dat!
Johannes keek, net als Jesaja, uit naar Diegene, die écht die gedroomde leider zou zijn, die iedereen in vuur en vlam zou zetten voor een betere wereld. Iemand die zou dopen met Heilige Geest. Wat een ontzagwekkende verwachting!
Iedere tijd kent krachten die de Bron verstoppen en krachten die de Bron opdelven. Er zijn veel manieren om de Bron te verstoppen. Elke steen die hier ligt, zou een facet van zo’n verstopping kunnen zijn: egoïsme, angst, hoogmoed, luiheid, hebzucht, álles wat het Rijk der Hemelen tegenhoudt.
En, welke stenen bouwen mee aan het Rijk der Hemelen?