Luc. 12, 13 – 21

Petra Speelman
Lezing
Prediker 1: 2 – 3; 2: 20 - 23

RIJK BIJ GOD

Mensen van God, 1.’Op school stonden ze op het bord geschreven. Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn’. Zo begint een gedicht van Ed. Hoornik. Bij de voorbereiding op deze overweging kwam ik het tegen en draag het graag voor, om daarna te verbinden met de beide Schriftlezingen.

’Op school stonden ze op het bord geschreven

Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;

Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,

De ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.

Is van de wereld en haar goden zijn.

Zijn is, boven die dingen uitgeheven,

Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.

Is naar de aarde hongeren en dorsten.

Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,

Is kind worden en naar de sterren kijken,

En daarheen langzaam worden opgelicht’.

Tot zover de dichter. 2. In het evangelie lijkt ‘hebben’ een kernwoord. Toegespitst nog op heb-zucht. Eerst is er die vraag aan Jezus om te bemiddelen rond een erfenis. Een wespennest kan dat zijn, bron van diepe familieruzies. Wat wil je dan hebben? Je bezit kan jou bezetten. Jezus vertelt dan een verhaal uit het leven gegrepen, over een rijke man met een enorme oogst. Een geliefd thema overigens ook voor de evangelist zelf: rijkdom en armoede en de mensen die leven met die overvloed, of juist met het tekort. In de vertelling klinkt voortdurend het ik van de man, mijn, ikzelf. Hebben is hard, zegt de dichter. Is naar de aarde hongeren en dorsten. Is enkel zinnen, enkel botte plicht. Een eendimensionaal gericht zijn op vergaren en bijeenhouden. Dat maakt het hebben van deze man hard. Grijpen ligt op de loer, graaien. Zonder besef van mensen om je heen, zonder rekenschap voor de ander, zonder idee van gerechtigheid, van eerlijk delen. Ik-gericht en zelfgenoegzaam.

Is hebben dan zonder meer verwerpelijk, ons werken en doen, het genieten van het werk van je handen en hart en hoofd? Het gaat in alles om je gerichtheid van hart. Is het enkel horizontaal, op de aarde, in je eigen bubbel? Durf je daaruit breken, of daaruit gebroken worden? Hoogte en diepte, ruimte voor de ander en de Ander met hoofdletter. De man in het verhaal verkijkt zich op de zin van het hebben. Hij waant zich onsterfelijk, onkwetsbaar. Maar, zo horen we: dat ikkeikke maakt je leven niet. Geeft geen garanties. Jezus besluit dit verhaal, en ook dat past in de lijn van de evangelist, met de uitnodiging om je leven zo op te bouwen dat het rijk is bij God. Dat is: met oog en oor voor de ander. Met besef dat de schepping van God is, en dat haar vruchten gedeeld moeten worden, dat in het samenleven levenswaarden krachtig zijn als gerechtigheid en solidariteit. Ad den Besten schrijft het zo in een lied: ‘Niet voor schuren die niet duren, gaf Gij vruchtbaarheid, maar opdat op aarde, in uw goede gaarde, niemand honger lijdt’.

3. Hebben is niets, zegt Hoornik. Is oorlog. Is niet leven.

Is van de wereld en haar goden zijn.

Zijn is, boven die dingen uitgeheven,

Vervuld worden van goddelijke pijn.

Wellicht zou Prediker hem dit kunnen nazeggen. We horen hem in de 1e lezing spreken over de betrekkelijkheid van alles. ‘Het leven is lucht, vluchtig als een ademtocht, alles vervliegt zoals adem verdwijnt, opgaat in de lucht’. Zo vertalen Pius Drijvers en Pé Hawinkels. Er is gezwoeg onder de zon en waar leidt dat toe? Een gevoel van absurditeit kan je overvallen, waar doel ontbreekt, het werk je bij de handen afbreekt, wat door de een is opgebouwd wordt in een volgende generatie weer neergehaald… Ondoorgrondelijk en ongerijmd is het leven van een mens.

Dit kleine boekje Prediker staat in onze bijbel bij de wijsheidsliteratuur. Het zijn bevindingen van iemand die het leven en de wereld en de mens daarin heeft bestudeerd en niet kan doorgronden, wat de zin is, de samenhang. Toch mag deze ervaring klinken in het grote verhaal van God met mensen. Als ook een ervaring van de mens in haar zoeken naar God. En bij alle ijdelheid en absurditeit en vluchtigheid van ons bestaan, mag je, zo klinkt als we verder lezen ‘eten en drinken en genieten van wat je met veel zwoegen bereikt hebt. Want ook dat, zo begreep ik, zegt Prediker, komt uit de hand van God. Of je het nu goed hebt of in de zorgen zit, het gaat nooit buiten Hem om.’

Vandaag worden we opnieuw bepaald, als steeds weer op onze weg, bij de gerichtheid van je hart, je hoofd en handen: in de horizontale beweging van het leven met elkaar, in deze schepping, op deze aarde, van hebben en breken en delen. en in de verticale beweging van verbinding met de Eeuwige, van zijn en opengebroken worden, van danken en vertrouwen.

Tot slot de laatste strofe van het gedicht:

‘Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,

Is kind worden en naar de sterren kijken,

En daarheen langzaam worden opgelicht’.

− Ed. Hoornik uit de bundel Het menselijk bestaan (1952). − Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk, lied 718