Joh. 14, 15 – 21

Petra Speelman
Lezing
1 Samuel 12: 19b - 24

IN DE TUSSENTIJD

Mensen van God,

Bij de kleur van deze zondag, de verwachting van heilige Geest, bij de beweging in onze Gemeenschap, vond ik het volgende gedicht van Judith Herzberg:

Eerst komt het wachten,
het verheugen, leunend tegen lage muurtjes,
dan komt het voorgevoel van
hoe-nu-verder
daarna het hoe-nu-verder zelf.

We leven in deze dagen in tussentijd. De Heer is opgevaren ten hemel, zoals we in onze geloofsbelijdenis bidden. En de pleitbezorger, de troosttoeroeper, zoals Oussoren vertaalt, de Geest van waarheid, is nog niet neergedaald. Tussentijd. Eerst komt het wachten.

In deze tijd krijgen we vandaag vanuit de Schrift handreikingen, hoe ons hart te richten, hoe opmerkzaam te worden en te blijven op het waaien van die Geest, binnenkort.

We luisteren mee met de Israëlieten. Zij zijn verzameld rondom Samuel. Onder zijn leiding als priester en richter in die tijd, hebben ze hun verlangen naar een koning als leidsman doorgedrukt. Om te zijn als andere volken. Terwijl ze toch echt niet zijn als andere volken, zij, het volk van God onderweg. Maar Samuël heeft gehoor gegeven aan hun stem, en Saul is tot koning gezalfd. Met instemming overigens van de Eeuwige. Blijkbaar zullen zij, en wij met hen, op deze manier leren hoe je, als mens die aan God toebehoort, je moet verhouden tot de wereldse machten, de realiteit waarin je leeft. In het gedeelte dat wij vandaag lezen is die weerbarstigheid voelbaar. De wereldlijke koning Saul, aan wie zij moeten gehoorzamen, en tegelijk levend in het besef van die hemelse Koning, de God van verbond. Samuel zal vanaf dit moment een andere taak krijgen. Als profeet, om steeds opnieuw die stem van God te laten klinken. Om steeds opnieuw het volk én de koning bij de levensles te houden dat het niet gaat om mensenmacht en kracht. ‘Dwaal niet af’, bemoedigt hij door de eeuwen heen, ‘om achter iets aan te lopen dat niets oplevert en niet bevrijdt, omdat het niets is.’ Maar richt je hart op God die bevrijdt uit onrecht en knechting, dat heb je ervaren, toen en nu en keer op keer. Dat zal onderscheidend zijn. Zoek die ervaring in je eigen hart, in de geschiedenis van God met mensen, en bewaar die. Die oproep klinkt tot op vandaag!

We luisteren opnieuw mee met de leerlingen. Zij zijn verzameld rondom Jezus. In zijn laatste grote toespraak rust Hij hen toe en bereidt Hij hen voor op de tijd dat ze zonder

Hem in hun midden de weg zullen gaan. In het spoor van Hem die is de Weg, de waarheid en het leven. We worden opnieuw ondergedompeld in die belijdenis van de evangelist Johannes. Over de diepe verbondenheid van Jezus de Zoon met God de Vader. Over de verbinding van Hem met hen, zijn leerlingen, en met allen die Hem liefhebben. Dat is: met heel je hart en al je kracht trouw blijven aan de geboden van liefde en barmhartigheid. Een hart onder de riem is het, en een belofte dat zij, en wij, nooit meer alleen zullen zijn. Dat we Hem kunnen vinden in ons binnenste, dat daar altijd die verbinding is met God, de Bron van ons leven. ‘Ik laat jullie niet verweesd achter, Ik kom bij jullie.’ De Geest van waarheid zal komen en helpen op die weg. Op die weg naar binnen. Om vandaaruit weer op weg te gaan, naar buiten, in de wereld, maar nooit van de wereld. De wereld die Hem niet kan ontvangen, want ze ziet niet en kent niet. Dat zien en kennen vraagt namelijk om open te staan, opmerkzaam te zijn voor wat van de andere kant gehoord wil worden. De wereld, in de beeld-spraak van Johannes, heeft zich afgewend, is gesloten naar God, naar Jezus. Wij leven in die wereld, met weet van die liefde van God, die eenheid met Jezus, die weg ten leven. Onverschrokken zullen we gaan, wanneer die heilige Geest in ons gaat branden.

In deze tussentijd, in de verwachting, wordt ons dit stevig anker geschonken. Op onze weg als leerlingen van de Heer. In ons bezigzijn met toekomst. Mogen we hiermee verder openkomen voor die Geest van waarheid, die troost en bemoedigt.

Hernemen we tot slot, het gedicht:

Eerst komt het wachten,
het verheugen, leunend tegen lage muurtjes,
dan komt het voorgevoel van
hoe-nu-verder
daarna het hoe-nu-verder zelf