Joh. 11, 17 – 27

Annet van Straaten
Lezing
1 Kronieken 29, 10–25

Niets is van ons, alles is ontvangen

Voordat we stilstaan bij deze ontmoeting tussen Jezus en Martha, gaan we terug naar David en zijn grote loflied voor zijn Heer. Dat klinkt aan het einde van Davids leven, het einde van zijn koningschap, voordat hij de troon overdraagt aan zijn zoon Salomon.

In zijn loflied bezingt David alle vormen van grootheid van mensen. Hij weidt daarover uit: luister en majesteit, roem, koningschap, leiderschap, rijkdom, heerlijkheid, macht en kracht. In onze tijd kun je dan denken aan politici, geslaagde mensen, rijken, gevierde sterren, beroemdheden in de wetenschap en de kunst, grote sporters, koningen en topfiguren in het bedrijfsleven. En nadat David alles wat die mensen presteren heeft bezongen, stelt hij: dat is niet dankzij henzelf. Alles wat die groten der aarde bewerken, zijn schenkingen die zijzelf als schenking hebben ontvangen. Deze hele grote koning in zijn tijd, noemt zichzelf samen met alle mensen ‘slechts vreemdelingen die als gast van God op aarde vertoeven. En hij noemt het leven, dat voor hem allerlei pracht en roem inhoudt, ‘slechts een schaduw, zonder enige zekerheid’.

Hoe bijzonder! David als machtige koning, beseft volledig dat daarvan uiteindelijk niets van hem is maar van die hij zijn Heer noemt! Dit besef is er niet zomaar, hij heeft het met vallen en opstaan moeten leren! En in het licht van de overdracht van de troon, wil hij zijn zoon en zijn volk dit inzicht, dit geloof overdragen. Salomo en het volk hebben geluisterd en er volgden jaren van voorspoed en stabiliteit. In onze tijd waarin de ontplooiing van het individu, de eigen identiteit, het ‘ik’ zo op de voorgrond staat is niet vanzelfsprekend, om zo ontvangend te leven. Onafhankelijkheid is de gangbare norm. Die is niet verkeerd, die is zeker belangrijk en ook nodig. Maar het is niet het enige. Want als onafhankelijkheid nog het enige streven wordt, raken we los van elkaar en van de verbinding met het Heel-al, waar wij uit voortkomen, deel van uitmaken en toe behoren.

Het prijzen van David, wordt ook wel vertaald als ‘zegenen van God’ dat David doet. En zegenen heeft Pius ons geleerd, verwijst naar enten: het op elkaar hechten, vastgroeien; waardoor nieuw leven voortkomt. Waardoor het leven dus verder kan gaan, toekomst heeft! Zonder onderling gehecht te blijven, zonder verbinding is er geen toekomst meer.

Zou dit voor onze gemeenschap kunnen betekenen: elkaar vasthouden, sámenblijven in het zoeken naar de weg verder? Én: hierbij steeds het besef voor ogen houden: niets wat wij hebben gekregen is van ons, het is allemaal ontvangen. Alles wat wij hebben, behoort aan God!

Gaan we naar het Evangelie.

Martha was een gelovige vrouw; ze leefde volgens de Wet. Ook kende ze Jezus veel macht toe: als hij er was geweest was Lazarus niet gestorven. En zelfs nú, nu hij gestorven is, weet ze dat Jezus hier iets aan kan doen. Ook bevestigt ze op Jezus’ reactie: ‘Heer, ik weet dat Lazarus zal verrijzen op de laatste dag.’ Tweemaal ‘weten’. Maar Jezus vraagt haar niet om te weten. Hij vraagt: ‘Geloof jij in mij?’ In dat Ik de verrijzenis en het leven zelf ben?’ Jezus brengt de leer die Martha belijdt in het hier en nu;. Hij brengt die tot leven, gaat erin met zijn éigen leven! Hij is die leer! En Martha, de krachtige organisator, de actieve en initiatiefrijke vrouw (de naam ‘Martha’ betekent ‘Heerseres’) laat door Jezus’ vraag het ‘weten’ los en vertrouwt zich toe aan datgene dat ze door Jezus ervaart. Zij geeft zich over en gelooft. Nog vóórdat Jezus Lazarus opwekt uit de dood, geeft hij Martha nieuw leven. In een kort intermezzo, waar je bijna overheen zou lezen in het verhaal. Haast terloops zo natuurlijk als Jezus zijn levende boodschap voortdurend verspreidt en daarmee wonderen verricht in zijn omgeving. Net zo goed aan Martha als aan Lazarus! En, net zo goed aan ons?