Joh. 8, 21 – 36

Tineke Renkema
Lezing
Exodus 6: 2 - 8

Er is een wereld te winnen!

Jezus is nog steeds in de tempel te vinden, in een gedeelte dat voor iedereen toegankelijk is. Dáár moet hij zijn en nergens anders. Gedreven door een heilig moeten. Elke dag opnieuw staat hij daar. Steeds in gesprek met de Farizeeën, Schriftgeleerden en vandaag met de Judeeërs. Onvermoeibaar. Zonder ophouden laat hij horen vanwaar hij komt, waartoe hij is. Dat hoorden wij de afgelopen weken. En dat waren geen gesprekken als tussen de éen en de ander, geen dialoog, zoals in de oorsprong bedoeld, maar toenemend een gesprek met vijandige, steeds dreigender ondertoon.

Vandaag zijn het de Joden die reageren. Laten we meeluisteren naar wat Jezus nu zegt over wie hijzelf is en hoe hij zijn toehoorders ziet. Aanvankelijk roept hij bij zijn luisteraars bezorgdheid op, wanneer hij zegt dat hij ergens naar toe gaat, waar zij niet kunnen komen - Hij zal zichzelf toch niet doden? - Maar dan horen we hem zeggen: Ik ben van boven, u van beneden Ik hoor niet bij de wereld, jullie daarentegen wel, jullie horen bij de wereld.

Dat is wel iets, wat mij betreft, om even bij stil te staan. Wat roept dat woord ‘wereld’ eigenlijk op. Ik hoor dat woord ‘wereld’ als een plaats waar God niet thuis is. En ja, dát ken ik. Ik ken vele plaatsen op deze aarde, waar God niet thuis is. Maar ook ín mijzelf, binnen in mij, in mijn eigen binnenwereld , ken ik gedachten, woorden, daden waarin God niet thuis is. Ik moet erkennen, dat ikzelf voor een tijd, geen plaats van God ben. En dát noemt Jezus zonde. En horen wij hem zeggen, we zullen sterven aan die zonde, als we dat niet willen zien, her- en erkennen. Als we niet willen geloven in hem. Als we niet willen geloven dat Jezus die plaats is waar God thuis is.

Als we niet zó in hem geloven, niet in hem geloven als een plaats waar God gebeurt, als we ons niet zo verbinden met de Mensenzoon, geven we ons eigen mens-zijn op. Dan geven wij op, dat ook wíj geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis en dat God een woning zoekt in ons. Dan houden wij op van het vermoeden te leven dat wij zó bedoeld zijn.

Het gaat dus om die verbinding tussen God en mens. Jezus zegt: Ik ben die verbinding, die ladder tussen hemel en aarde, waar engelen op en neer gaan, die droom van Jakob in de nacht. En: Verbroken verbinding betekent dat we aan de zonde zullen sterven.

Verbroken verbinding betekent doodgaan aan onszelf, doodgaan aan bezitten en bezetten; doodgaan aan het niet geloven dat het mogelijk is om in de wereld te zijn en niet van de wereld. Kortom: Er valt een wereld te winnen!, door dat niet van de wereld te zijn, maar wel in die wereld.

Zo wordt wat op het eerste gezicht een hard woord lijkt een ongelooflijk aanbod van leven! En: We hebben dat al vaak gehoord de afgelopen weken en ook nu weer: Altijd zal Jezus, in alles wat hij doet en zegt, verwijzen naar de Vader. Hij is altijd in verbinding In de tekst van vandaag horen we het hem zo zeggen: ‘Wanneer u de mensenzoon hoog verheven hebt, zullen jullie weten dat ik het ben. ‘Ik ben.’ De naam die God kenbaar maakt aan Mozes. Maar als Jezus zegt : ‘Ik ben’ betekent dat geen is gelijk teken, al wordt dat wel zo verstaan door zijn toehoorders. Zij beschouwen dat als godslastering, en zij nemen dat zeer hoog op. Maar het ‘ik ben’ van Jezus betekent dus niet een ‘ík ben aan God gelijk’, maar een overgave aan een definitief verbond. En die verbinding is er niet alleen in goede dagen, maar juist ook in het uur van Godverlatenheid, op het kruis. Omhoog geheven : En dan toch: ‘Ik ben’. Een volgehouden verbinding. Ja, Er is door hem werkelijk een wereld gewonnen! Er is een wereld gered.

Een mens, een plaats van God. Als we zo naar Jezus kijken worden we genezen, worden we heel, zoals bedoeld, bestemd. Dan zullen we de waarheid kennen, een waarheid die zal vrijmaken, zo horen we hem zeggen tegen de Joden. Waar zij zich eerst door zijn woorden lieten raken en in hem gingen geloven, blijkt dat woord ‘vrij maken’ opnieuw een zeer gevoelige snaar te raken. Als kinderen van Abraham zijn wij toch al vrij? Hoe waagt hij het dat in twijfel te trekken. Ik ben toch al vrij? Wij, zoals wij hier zitten zijn toch al vrij?

Opnieuw ontmaskert Jezus de Joden en ook mij, ook ons, als wij zeggen in hem te geloven en tegelijkertijd beweren al vrij te zijn. Dat is niet de waarheid. De waarheid is dat wij onvrij zijn, onvrije mensen zolang wij ons niet verbinden met de mensenzoon, die zelf vrij werd door zijn verbinding met de Vader. Ik heb God, de Mensenzoon nodig, om vrij te worden. En in het verlengde daarvan: Ik heb, mijn broeder en zuster nodig om me vrij te maken, om mij vrij te spreken. Niemand wordt vrij door en in zichzelf. Durven wij die afhankelijkheid aan?

Mag het zo zijn en worden.