Joh. 12, 20 – 33

Petra Speelman
Lezing
Jeremia 31, 31-34

DE WEG VAN DE GRAANKORREL

Mensen van God, Wij willen Jezus zien. Wat een mooie vraag is dat. Mensen die geboeid zijn geraakt door de woorden en daden van Jezus. Aanvoelen dat een kracht uitgaat van deze charismatische man. Een kracht die met God van doen heeft. Meer willen weten, met hun hoofd en met hun hart. Zien, ontmoeten, oog in oog komen. Verlangen naar verbinding. Enkele Grieken, willen Jezus zien, schrijft Johannes. Horend bij de volken. Vreemdelingen in Jeruzalem. Ze richten zich tot Filippus, een van de leerlingen van Jezus en ook een man uit het grensgebied, Betsaida, in Galilea. Net zo’n buitenstaander als zijzelf. Juist hem spreken ze aan, om een introductie bij Jezus. Filippus neemt Andreas mee, plaatsgenoot en ook in die 1e kring rond Jezus. Met deze Grieken worden ook wij worden meegenomen met dat verlangen: wij willen Jezus zien. Een spannende vraag is het ook. Kun je ontvangen wat je dan te zien krijgt? Kun je het aan, ook als het je niet helemaal bevalt? Het wordt hoe dan ook een indringende ontmoeting. In zijn antwoord laat Jezus zich zien! Kernachtig zegt Hij wie Hij is en waar het nu op aankomt. Nu is namelijk het uur gekomen. Nu wel. Al vaker had Jezus gezegd: Mijn uur is nog niet gekomen. Maar hier, in Jeruzalem, hier voor het oog van joden en heidenen. Nu zal duidelijk worden wie Hij is, de Mensenzoon, in zijn roeping ten diepste verbonden met God. Om de Naam van God groot te maken. Hij spreekt over de graankorrel die in de aarde moet vallen om vrucht te dragen. Een universeel beeld van leven, van zaad dat door het donker van de aarde heen, tot nieuw leven wordt. Een natuurlijk proces, zoals ook de Grieken, de volken kennen. Hier wringt overigens de beeldspraak, want het lijden en sterven van Jezus is geen natuurlijk proces. Hij zal worden overgeleverd en gedood. Wel klinkt door in dit beeld van het graan dat dit sterven niet het einde is. Er zal vrucht worden gedragen. Het is de weg van de mens, van elke mens, die door de dood heen door de Eeuwige aan het licht wordt gebracht. Nieuw leven. Het gaat erom zichzelf te verliezen, dat wil zeggen: die eigen wil, dat najagen van eigen belang en zelfgerichtheid, dat bijna van God los is komen te staan. Dat te verliezen!. Om iets te vinden, te hervinden wellicht, dat wezenlijk is: leven dat gericht is op God, leven dat eeuwigheidswaarde heeft. In verbinding met God. In vertrouwen dat het leven ondanks het lijden, ondanks het sterven aan het leven, niet vergeefs zal zijn geweest. Het gaat erom te worden wie je bent, een mens naar Gods beeld en gelijkenis. (Zo luidt de eerste van de Leefregels van onze Gemeenschap, waar we in deze tijd over in gesprek zijn). Een mens die dienstbaar is, diakonie doet, met oog en oor voor wie geen helper heeft. Wie Mij wil dienen, zegt Jezus, zal Mij moeten volgen, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. En wie Mij dient zal erkenning vinden bij de Vader. De weg van de graankorrel.

Dan, midden in deze indringende inkijk in wat Jezus zelf zegt over zijn roeping als mens van God, klinkt zijn gebed, een interne en intieme tweespraak in zichzelf, angst voor wat komen gaat, huiver om de weg ten einde toe te gaan. En ook het besluit om zich daaraan over te geven. Er komt een reactie op zijn bede. Antwoord, uit de hoge. Een donderslag, een engel, de omstanders horen het en zijn in verwarring. Met het oog op jullie heeft dit geklonken, zegt Jezus. Het gaat over de heerlijkheid van God, de glorie van God. Nu zal de grootheid van God openbaar worden. De angst is niet verdwenen, de huiver, het ontzag zijn heel realistisch en te begrijpen, voor iedere mens die oog in oog komt met lijden en dood. Jezus laat zien dat er een weg doorheen is.

Jezus zal worden omhooggeheven, en daarin zal Hij allen naar zich toehalen. Allen, met het oog op de wereld zal dit gebeuren, met het oog op heelheid en bevrijding. Zoals steeds het verlangen van de Ene is geweest, zo horen we ook in de profetie van Jeremia. Dat het verbond tussen God en mensen stevig mag staan, in je hart gegrift, in je woorden en daden zichtbaar. ‘Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk.’ De wet in ons hart geschreven. Leefregels, richtingwijzers die leven mogelijk maken, leven voor iedereen, leven in overvloed.

Jezus zal worden omhooggeheven, aan het kruis. Hij heeft zijn weg tot aan het kruis omarmd, uit liefde voor God en mensen. Dat was rotsvast en onverwoestbaar in Hem. Daarmee is dit kruis getransformeerd tot een teken van zijn zorgende liefde voor allen die gebukt en gebogen door het leven gaan. Tot een teken van zijn liefde voor ieder van ons. Het kruis is geworden tot een liefdesteken, een levensboom.

Wij willen Jezus zien, zo klonk de vraag van de Grieken, van ons met hen. Kun je het aan wat je dan ziet? Het is een weg om te gaan, de weg met Hem, deze mens van God, deze God-met-ons. Op onze weg naar Pasen worden we steeds verder en steeds opnieuw toegerust, we leren hoe we bedoeld zijn, waartoe we geroepen zijn. Om te leven en vrucht te dragen. Om mens van God te zijn. Mag het zo zijn.