Mar. 1, 21 – 28
- Lezing
- Deuteronomium 18, 15 - 20
Een leer met gezag
Het Evangelie lezend en herlezend, verplaats ik mij naar de synagoge in Karfanaum, dorp van troost. Het is een Sabbat, een extra lange, feestelijke Sabbat. Daar komt iemand naar voren. Hij neemt de Schrift om eruit te onderrichten. Maar hij doet het anders dan we kennen. Hij leert niet; hij vertelt. Over het leven, hoe het geleefd kan worden. Niet hoe het geleefd móet worden. Er wordt ademloos geluisterd, het is écht, levend, hij raakt aan ons diepste verlangen, een echo van hoe het leven bedoeld is, een stem uit het paradijs. Dán, juist in de verrassing en de vreugde van dat moment ontstaat woede, protest, vernietiging. Het goede mag er niet zijn. Het riep in mij op: ‘Zijt Gij soms kwaad omdat ik goed ben?’ Ja, het kan onverdraaglijk zij, het goede te ervaren. Als wij niet in verbinding zijn, in vrede met ons leven, met elkaar. Dan vloekt dat met het goede. Jezus onthult dan mijn armoede, mijn verstoktheid, mijn boosheid. Mijn beperkingen en onmacht en koppigheid en eigenmacht. Mijn afgeslotenheid. En daarom keer ik mij dan af van het goede, want die spiegel is onverdraaglijk om in te kijken. Ik draai en verdraai het goede, om het maar niet te hoeven onderkennen. En kan ik roepen: jij bent gekomen om ons in het verderf te storten. En tegelijk kan ik roepen: ‘jij bent de heilige Gods!’ Waar ik niks mee te maken wil hebben, want ik kan er niet bij! In Deuteronomium staat niet voor niets: laat mij de stem van de Heer mijn God niet meer horen! In het Evangelie treedt Jezus dan op tegen die man en beveelt hem stil te zijn. Hij verjaagt die man niet, maar de kwade geesten in hem. Hij is ze de baas. Ze gehoorzamen! Hij bevrijdt die man ervan. Die man valt stil en blijft tussen ons in zitten. Wat Jezus onderrichtte, dééd hij tegelijkertijd. Daarover onderrichtte hij. Zó onderrichtte hij . Zó kan het leven zijn! Woede, de afweer, het kwade aanspreken, het zwijgen opleggen. En de mens intact laten, nee, veel meer: genezen zelfs! Dat kan alleen ‘met gezag.’ Gezag. Gezien hebben. Jezus de Nazareeër; hij die op de uitkijk staat. Een leer met gezag. Die gezien heeft, wat leven geeft én wat vernietigt. En daarover leert.
Die kwade geesten in de man, die schreeuwden ‘jij bent gekomen om ons in het verderf te storten: ‘Ze hadden gelijk.’ Dat was wat Jezus vervolgens deed: hen verjagen, zichtbaar maken, hoe verderfelijk die geesten waren. Jezus liet de menigte en ook mij, vol verbazing en vragen achter. Kwade geesten verdrijven, hoe komen we ze op het spoor? Eén ding weten we: ‘Het goede zal opbouwen, het kwade breekt af.’ En er is nog een aanwijzing: kwade geesten moeten aangesproken worden. Dan kunnen ze verdreven worden. Het vraagt veel geloof en vertrouwen om dit te kunnen laten gebeuren. Maar het brengt wél leven!