Mat. 25, 14 – 30
- Lezing
- Spreuken 31: 10 – 31
VERTROUW HET MAAR
Mensen van God, ‘wie ten einde toe alles durft te geven, handen woorden brood, trouw op dood en leven, zalig is die mens’. Dit lied kwam in me op door die sterke vrouw, een mens van kracht uit het boek Spreuken, en door die eerste 2 dienaren in de gelijkenis die Jezus vertelt aan zijn leerlingen. Mensen die leven vanuit de Bron, verbonden zijn met de Eeuwige, die het vertrouwen dat hen wordt geschonken opnemen en vruchtbaar maken, zelf betrouwbaar zijn. Dan gebeurt er iets: is er overvloed en welvaart, zo horen we in het loflied. Dan is er feest en vreugde, en wordt het koninkrijk van God zichtbaar, zo vertelt Jezus.
De schrijver van dat loflied op die sterke vrouw had wellicht iemand voor ogen in zijn naaste omgeving. Misschien zong hij voor zijn volk, dat na de ballingschap een land moest opbouwen, met de rest die achter was gebleven, met de ervaringen die in de ballingschap zijn opgedaan, om dat samen te smeden op een weg vooruit, naar toekomst. Krachtige eigenschappen geeft hij haar, die verbonden zijn aan Vrouwe Wijsheid, de goddelijke energie van planten en zaaien, van overvloed die daar uit voortkomt, van zorg voor kwetsbare mensen en medemenselijkheid naar ieder die in nood is. Het is niet zozeer een lijst waaraan mensen moeten voldoen. Maar het uit de grond kijken van het resultaat als wij werken en leven vanuit de verbinding met God en met elkaar.
Over die verbinding gaat het ook in de gelijkenis die Jezus vertelt. Het is met het koninkrijk van God als met een landheer die zijn vermogen verdeelt onder zijn dienaren. Hij gaat op reis en komt veel later terug, om hen rekenschap te vragen. In de tijd van Jezus, en van Matteüs was de verwachting van de komst van de Mensenzoon buitengewoon actueel. Maar die voltooiing bleef uit. In de loop van de tijd zijn christenen gaan begrijpen dat het koninkrijk al te vinden was, begonnen in Jezus, en dat het aan ons is om Gods koninkrijk zichtbaar te maken, door het vertrouwen in de Levende en door de inzet in zijn spoor, opdat dat Rijk eens, in alle glorie komt. In de gelijkenis van vandaag, over de heer met zijn dienaren leren we over die inzet en dat vertrouwen.
Jezus vertelt over de heer, Hij zelf, die zijn dienaren, zijn leerlingen, zijn bezit in handen geeft. Zijn woorden en daden van bevrijding, van hoop voor kleine mensen. Talenten zijn het. Dat woord heeft een andere betekenis dan ‘iets waar je goed in bent’. Een talent in de tijd van Jezus was een gewichtsmaat, ong. 60 kilo, of de waarde van dat gewicht uitgedrukt in goud of zilver. Een talent was dus veel waard. Dat hele bezit van de Heer legt hij in de handen van zijn dienaren. Hij vertrouwt hen dat toe, bijzonder groot is zijn vertrouwen! Het is niet ván hen, maar ze mogen ermee werken.
‘Ieder ontving wat hij aankon’. Of je nu die 5 talent krijgt of die ene talent, dat heeft niets te maken met of je zelf meer of minder waard bent. Het heeft te maken met draagkracht. Daarin zijn mensen ook verschillend! Elke dienaar wordt aangesproken op zijn en haar verantwoordelijkheid, niet meer dan dat, ook niet minder! Om te doen wat in jouw vermogen ligt om liefde en rechtvaardigheid te doen. Om goed te doen met wat je ontvangt.
De eerste 2 dienaren gaan ermee aan de slag. Blijkbaar is er vertrouwen en verbinding over en weer tussen hen en hun heer. Als hij terugkeert is hij niet zozeer benieuwd naar het resultaat, naar hun prestatie. Hij antwoordt met termen van betrouwbaarheid, of je tot je bestemming bent gekomen. Als we uit de beeldtaal van de gelijkenis stappen zien we mensen die de woorden en daden van Jezus opnemen en vormgeven en doordragen, die durven leven, met oog voor elkaar, voor God, met het oog op de wereld. Daarmee groeit dan bezit, groeit het koninkrijk van God. De Heer is opgetogen om wat hij ziet! ‘Kom delen in de vreugde van je Heer’. De vreugde van de maaltijd, van het samen delen, van gemeenschap.
Met de 3de dienaar loopt het heel anders. Hij laat het hem toevertrouwde vermogen onbenut en stopt het zelfs weg. Wat maakt dat hij zo handelt, vraag je je af. En wie heeft Jezus voor ogen met deze dienaar? Deze 3e dienaar is bang, zegt hij later zelf. Hij wantrouwt de heer, wantrouwt zichzelf om dat geschonken vertrouwen op te nemen. Deze mens laat zich leiden door angst. Ben ik het wel waard om dit vertrouwen te krijgen? Ben ik de moeite waard? Kan ik wel betrouwbaar handelen? Er zou ook afgunst kunnen meespelen, om die ene talent, die je kreeg. Maar dat oordeel leggen wij er zelf in! De heer benoemt wat hij voor zich ziet: een mens die zijn verantwoordelijkheid wegschuift, wegstopt, niet aangesproken wil worden. Er klinken harde woorden voor hem: gejammer en tandengeknars zullen hem ten deel vallen, in de uiterste duisternis. Het komt me zo voor dat deze man daar al weet van heeft, van tandenknarsen en jammeren, sinds hij dat talent begroef in de grond. Uit het zicht, maar niet uit het hart, zo blijkt. Het schuurt in mij, deze 3de dienaar laat me niet los. Ik voel compassie met hem, vanwege zijn onvermogen. Of is het onwil? Ik kom wel eens mensen tegen die God ervaren als een strenge heer. Die de nood in de wereld en het verdriet in het leven van mensen toeschrijven aan God. Die tegenslag ervaren als straf voor zonde. En zo het zicht verloren zijn op die oerkracht van leven, op geestdrift en enthousiasme. Mensen die lamgeslagen zijn. Ik zou willen zoeken met deze dienaar naar een weg terug naar de bron van leven, naar sporen van betrouwbaarheid. Ik hoop dat er iemand is die met mij zoekt, als ik bevangen raak door angst. Elk mens wordt gegund om vrijuit te leven.
Die harde woorden aan het einde van deze gelijkenis zijn vooral een oproep aan de toehoorders, aan ons, tot bekering, tot ommekeer naar dat oorspronkelijke Ja van God uit naar ons, naar elk mensenkind. Het ja van vertrouwen en liefde en uitnodiging tot
verbond. De gelijkenis heeft tot doel om je bewust te worden hoe je leeft. Niet onverschillig of angstig te zijn, maar met inzet van je kracht en je hart en ziel en verstand te werken met die woorden en daden van Jezus, met die richtingwijzers van God. Jezus doet een dringende oproep om het te wagen met god die Ja zegt tegen ons en zijn bezit in onze handen legt. De wereld heeft nood aan mensen die durven staan voor vrede en liefde, die werken met Gods Woord! Wees onverschrokken, vertrouw op de Heer, klinkt in een psalm. Een opwekking om mee te werken in Zijn Naam aan een wereld waarin zorg is voor elkaar, eerbied voor de schepping en vrede en gerechtigheid kan groeien. Mogen we zo bemoedigd worden om met aandacht te leven, verbonden met God en verbonden met elkaar. Amen