Mat. 25, 1 – 13
- Lezing
- Wijsheid 6, 12 – 17
Een wijs hart bekomen
We gaan deze weken toe naar de afsluiting van het kerkelijk jaar gaan. En: De lezingen sluiten daar op aan. De leerlingen vragen aan Jezus in zijn laatste dagen, aan het begin van dit hoofdstuk, wanneer hij terug zal komen, wanneer de wereld zal zijn voltooid. We herkennen dit! Wanneer zal de wereld volkomen zijn, wanneer een wereld van broeder- en zusterschap? Wanneer een gemeenschap waar we het verbond daadwerkelijk wagen. Wanneer toch? En: Hoe bereiden wij ons voor? Hoe worden we wijze mensen?
Als we de woorden uit Wijsheid volgen, die vandaag klinken, horen we dat wijsheid er niet zomaar is. Ze moet door ons worden gezocht. Ons verlangen moet naar haar uitgaan. Pas dan vinden we de wijsheid. Ze blijkt dan niet veraf te zijn, maar heel dichtbij, pal voor onze voeten, pal voor de deur. Zoek ik, zoeken wij wijsheid, verlang ik er naar? En: Wat zoek ik dan? Wat verlangen wij dan eigenlijk? Ik weet niet hoe het met jullie is, maar zo’n woord wijsheid gaat in mij gemakkelijk zweven. Maar wat roept dat woord wijsheid dan eigenlijk in mij op? De woorden ‘inzicht’ en ‘helderheid’ kwamen als eerste boven. Inzicht in wat? Inzicht in wat heilig is of niet. Helderheid, klaarheid over wat het spoor van God is in mijn leven en waar ik dat spoor verlaat, dat spoor van liefde en waarheid, recht en vrede. Wijsheid is voor mij verbonden met eerbied en ontzag voor dat heilige.
Wijsheid moet door ons worden gezocht. Ja zeker. Maar we moeten het ook omdraaien. Hoe komen wij zover, dat de wijsheid die wij zoeken ons kan vinden. Wijsheid begint dan met oprecht verlangen naar onderricht. Het is een leerweg, zo wordt ons vandaag verteld. Is dat wel mijn verlangen? Willen wij dat wel? En wat is dat leren dan? Wat mij betreft is dat vooral luisteren! Luisteren om dan gehoor te geven. Ik kom er straks nog op terug.
In de gelijkenis die Jezus nu aan zijn leerlingen vertelt, gaat het over tien meisjes. Vijf van hen zijn wijs, vijf zijn dwaas. Maagdelijke meisjes zo staat in de Naardense vertaling en ik duid dat als de volheid van de liefde staat hen nog te wachten. Alle tien gaan ze onderweg de bruidegom tegemoet. En wat dan de vijf wijze van de vijf dwaze meisjes onderscheidt, is die extra olie die ze hebben meegenomen om de lamp brandend te houden. En dan begint het lange, lange wachten. Het wordt donker, de nacht valt. Geen enkel teken dat de bruidegom komende is. Alle tien vallen ze in slaap. Herkenbaar voor ons? Allereerst is daar ons open verlangen, een verwachten een uitstaan naar en dan die stugge realiteit, die gevolgd wordt door de avond, de nacht, soms
stikdonker, leegte en gemis, het verlangen dat ondergronds dreigt te gaan, het vermoeden van volheid dat dreigt te worden opgegeven.
En dan die roep midden in die nacht die de komst van de bruidegom aankondigt. Dan blijkt hoe groot het belang is van die extra olie. Met hun brandende lampen mogen de vijf wijze meisjes met de bruidegom naar binnen. Hoe pijnlijk klonk het nee op de vraag van de andere vijf om de olie met hen te willen delen. Dat blijkt onmogelijk. Zij moeten achterblijven. En de deur die toegang geeft tot de bruiloft wordt gesloten.
In een paar zinnen wordt verteld, dat het onmogelijk is opgenomen te worden in een liefdesverbond, de bruidegom tegemoet, als je opgehouden bent om je erop voor te bereiden. Als je niet gezorgd hebt voor extra olie om de lamp brandend te houden.
Ja, en nu kom ik terug bij wat het boek Wijsheid ons vertelt: ‘De wijsheid zoekt mensen die haar waard zijn.’ En de wijsheid waardig zijn, begint bij oprecht verlangen naar willen leren, naar willen luisteren. Naar wat luisteren? Naar wat zich in mijn innerlijk, in de diepte, zich afspeelt, wat van buitenaf op mij toekomt, wat de ander mij te zeggen heeft, om dan te onderscheiden wat heilig is om daar dan gehoor aan te geven. Juist dát leren is de olie die de lamp brandend houdt, ons verlangen gaande. Willen leren, leren luisteren naar wat heilig is of niet, waar God zijn spoor in mij, in ons als gemeenschap, trekt en waar niet. En dan begrijp ik : Dat vraagt ieders persoonlijke inzet, is onontkoombaar ieders eigen verantwoordelijkheid. Je kunt die olie niet delen. Je kunt niet in plaats van die ander leren, wel van die ander, van de geschiedenis, van het Groot Verhaal, het verhaal van de Mensenzoon, van wat wijze, verstandige mensen hebben opgeschreven. Leren dus, een leerweg gaan, om een wijs hart te bekomen, het verlangen gaande, om de nacht te kunnen doorstaan en zo de toegang vrij te houden voor de volheid van liefde.
Maar dat is nog niet het einde van dit verhaal. Hoe pijnlijk als we horen dat de deur gesloten blijft voor de dwaze meisjes, als zij toch nog een poging doen om toegelaten te worden tot het feest van de liefde. Het blijkt onmogelijk, niet alleen vanwege de olie, want die hebben ze inmiddels bij zich. Beslissend lijkt te zijn, dat de Heer zegt, dat hij deze dwaze meisjes niet ‘kent’. En ik ga er dan vanuit dat de dwaze meisjes het niet waagden zich te laten kennen, zich niet lieten openen om een wijs hart te bekomen. Maar niet alleen een wijs hart, maar meer nog open voor dat ‘kennen’ van psalm 139, in een hertaling, waar God zegt: ‘Ik ken je tot in de grond waar ik doorheen zie. Ik weet waar je bent, waar je gaat, wat je beweegt. Jij ligt voor mij open. Ik ben vertrouwd met al je wegen. Ik ken je woorden, weet wat je zeggen wil, volkomen. Ik omgeef je.
Je bent helemaal in mij opgenomen.
Ik leg mijn hand op jou.
En even verder:
Mijn ogen volgden jou vanaf het begin;
Mijn liefde volgde je alle dagen’.
Kennen in de betekenis dus van liefhebben. Dan is de beslissende vraag waarvoor wij ons vandaag gesteld zien: Open ik me? Laat ik me kennen? Laten ik me vinden? Laat ik me liefhebben? In het besef: Gods liefde volgt mij alle dagen. Amen.