Mat. 21, 33 – 43

Tineke Renkema
Lezing
Jesaja 5, 1 - 7

Is er wel Licht?

Er moet vandaag graafwerk worden verricht, want het goede nieuws ligt niet direct voor het oprapen. Het moet opgedolven worden in deze verhalen over mensen, die het bestaan van de naaste niet lijken te weten. Is er wel Licht in deze verhalen?

Bij de profeet Jesaja horen we met hoeveel liefde een wijngaard werd geplant, hoeveel er werd geïnvesteerd en met hoeveel zorg deze werd omgeven. Met hoeveel verlangen er werd uitgezien naar de vruchten. Hoe hartverscheurend wordt beschreven in dit ‘lied van de wijngaard’ hoe deze slechts wrange vruchten voortbrengt. ‘Wat had ik moeten doen en heb ik niet gedaan’, is de wanhoopsverzuchting van diegene die deze wijngaard plantte.

Ja, zo stellen we ons God voor, die met heel zijn liefde ons de wijngaard in handen gaf en moet aanzien hoe kwaad schreeuwt naar kwaad. Zou het anders kunnen gaan dan dat het op een wildernis uitloopt? Een wildernis omdat het visioen ontbreekt, de droom van liefde en gerechtigheid verloren is geraakt?

En dan het evangelie volgens Matteüs. Jezus bevindt zich in de tempel en wordt, zo hoorden we vorige week zondag, door de kerkelijk leiders bevraagd op zijn bevoegdheid. Jezus neemt het initiatief over en vertelt een aantal gelijkenissen. Vandaag over een landeigenaar, die een wijngaard aanlegt en toevertrouwt aan wijnbouwers. De wijnbouwers weigeren de vruchten af te dragen en mishandelen en doden de dienaren die, namens de eigenaar, de vruchten in ontvangst komen nemen. Hoe naïef van de eigenaar van de wijngaard, dat hij vervolgens zijn zoon zendt. Hij doet dat uit liefde voor de wijngaard. En: De eigenaar van de wijngaard weigert te geloven, dat mensen zich de wijngaard, koste wat kost, zullen toe-eigenen en ook zijn zoon zullen doden. Maar kennelijk bereikt die liefde de wijnbouwers niet. Ze kunnen niet geloven dat de eigenaar van de wijngaard, wanneer ze de vruchten aan hem zouden afdragen, zij deze, om het zo maar eens te zegen, 30-60-100- voud zouden terug ontvangen. Ja, ook de zoon doden ze.

Hoe blind zijn de religieuze leiders dan, die naar deze gelijkenis luisteren daar op dat tempelplein. Zonder enige aarzeling geven zij antwoord op de vraag van Jezus over wat de eigenaar zou doen bij zijn terugkomst. Ja, de religieuze leiders lijken het wel te ‘weten’. Volgens hen moeten de wijnbouwers worden gedood en de wijngaard aan anderen in handen gegeven.

Hoe ongelooflijk pijnlijk dat zij het blijkbaar ‘weten’ en er geen enkel blijk van geven zich in deze gelijkenis te herkennen; niet in de spiegel kijken die hen wordt voorgehouden. Hoe ongelooflijk pijnlijk dat ook wij, heden ten dage, weet hebben van leiders, waarvan wij vermoeden, dat zij zich niet in het verhaal zullen plaatsen. Hoe pijnlijk en moeilijk vinden wij het zelf om ons in dit verhaal te herkennen. En, als we al een blik in de spiegel werpen, relativeren wij die neiging om wat we hebben ontvangen ons toe te eigenen. Eigenen we ons toe, houden we voor onszelf vast , uit angst om het te verliezen, uit angst om tekort te komen? Hebben we de liefde waarmee ons de wijngaard gegeven is niet herkend, niet opgenomen? Vertrouwen ook wij die liefde niet?

Is er licht in dit verhaal, vroeg ik in het begin? Bij de profeet Jesaja wordt, althans in dit gedeelte, de wijngaard aan de wildernis prijsgegeven. De wijngaard gaat verloren! Misschien wordt het ooit grond voor: Zie ik ga iets nieuws beginnen.

En bij Jezus? Wie zich de wijngaard toe-eigent en aan anderen levensruimte en levensadem ontneemt, die zal het koninkrijk van God worden ontnomen, zo horen we hem zeggen. Wat gebeurt er dan eigenlijk als aan iemand het koninkrijk van God wordt ontnomen?

Ik denk dat je dan ervaart afgescheiden te zijn van de liefde, dat je sterft aan de tweede dood. Ik denk dat je ervaart in de leegte te staan, niet afgestemd op God en de ander, een leven zonder verbinding. Is het dan daarmee afgelopen met dat koninkrijk, die droom van God, van mensen? Nee! We horen Jezus immers zeggen, dat de wijngaard in handen van mensen zal worden gegeven, die wel vruchten zullen afdragen. Zie er gaat iets nieuws beginnen!

Om welke mensen gaat dat dan? Wie zijn die mensen aan wie de wijngaard in handen wordt gegeven. Om mensen die gaandeweg steeds meer zijn gaan beseffen geen eigenaar te zijn: Mijn partner, mijn vrienden: Niet van mij. Mijn kinderen: Niet van mij. Deze gemeenschap: niet van ons. Zelfs mijn eigen leven is wel het mijne, maar niet van mij. Om mensen die gaandeweg willen oefenen om elkaar levensruimte, levensadem te geven. En vooral denk ik, om mensen, gekenmerkt door verwondering en ontzag! Verwondering over en ontzag voor God, die ons in vrijheid heeft geschapen, van niets en niemand het bezit. Verwonderd en ontvankelijk, open voor die grote liefde, het geloof en de hoop en de verwachting waarmee de wijngaard werd geplant.

Nee : Het is niet afgelopen met dat koninkrijk van God. De wijngaard zal niet aan de wildernis worden prijsgegeven.

Maar is er dan geen sprake van een naïeve wijnbouwer, een naïeve God, wiens liefde zo groot is, dat Hij het steeds opnieuw waagt de wijngaard, de schepping in onze handen te geven. Waar wordt die hoop, die droom, dat vertrouwen dan op geënt?

Bijzonder is het dat in deze context Jezus de woorden uit Psalm 118 aanhaalt: “De steen die de bouwlieden afkeurden is de hoeksteen geworden” De hoeksteen is de steen die het bouwwerk bijeenhoudt. En we mogen duiden, dat Jezus, de zoon, zelf die afgekeurde steen is, dat het gruwelijk misging met hem, dat hij werd gedood en dat juist de liefde waarmee, de waarheid waarin hij leefde en die hij in de diepte bewaarde ons tot hoeksteen is geworden en dat dat Gods werk was én is tot op de dag van vandaag.

De wijngaard: Een volkomen mislukt project, dat als verloren moet worden beschouwd vanwege mensen onverlost van eigenwaan, te bang voor liefde, voor de één en de ander. We hebben er weet van. We kennen die realiteit, om ons, in ons. En toch! Er is licht!

Wat mij doet herleven, mijn vermoeden gaande houdt, is die van eigenwaan verloste, vrije en bevrijdende mens, de mensenzoon, die hoeksteen. Ik zie hem als mogelijkheid voor me. Die mogelijkheid van niet op mijzelf betrokken liefde, liefde die zichzelf geeft. Ik zie de sporen die die mens in de wereld, in ons getrokken heeft en nog steeds trekt. Ik zie dat dat een doortocht vraagt van dood naar leven, van ik naar Gij, van ik naar jij. En ik zie dat dat Gods werk is, in mij, in ons!

Mag het zo zijn!