Mat. 16, 13 – 20
- Lezing
- Jesaja 22: 15, 19 - 23
En wie ben ik voor jou?
Jezus was in de streek van Caesarea van Filippus gekomen, het uiterste noordoosten van het toenmalige Israël. Hij was dus ver weg getrokken. Waarom? Was hij op de vlucht? Wegtrekken uit je vertrouwde omgeving betekent ook: afstand nemen, anders kijken naar je leven. Het kan dan dat de vraag opkomt: wil ik wel zo doorgaan? Was dat de reden dat hij zijn leerlingen vroeg: ‘wie is volgens de mensen de Mensenzoon?’ Zocht Jezus naar zijn betekenis voor de mensen? Naar de zin van zijn handelen en optreden? En dan gaat hij een stap verder en vraagt aan de leerlingen zelf: ‘En jullie, wie zeggen jullie dat ik ben?’ Hij peilt, in hoeverre zijn leerlingen nu hebben begrepen, dat hij de stem van zijn innerlijk volgt om de boodschap van liefde en verbondenheid te verspreiden, omwille van een meer bewoonbare wereld. En Petrus, die zijn nek uitsteekt door te antwoorden, wordt beloond voor zijn moed om ín te gaan op die vraag. Hij krijgt een duiding over wie híj is, wat híj zal betekenen voor de wereld.
Na die gebeurtenis keert Jezus om en begint aan zijn terugtocht met Jerusalem als eindbestemming. Er is blijkbaar iets in hem duidelijk geworden. Hij is vastbesloten om zijn innerlijke stem te blijven volgen. Ongeacht de prijs die hij daarvoor zou moeten betalen.
Wat doet de vraag mij, die Jezus aan zijn leerlingen stelt? De meditatie daarover wil ik graag met u delen.
Die vraag zet mij oog in oog met jou, Jezus, afstraling van alles wat goed is. Al mijn drukke bezigheden verstillen en raken op de achtergrond. Er komt rust over mij. Jij kijkt mij aan en ik kijk terug. Ik raak in de juiste verhouding met mijn bezigheden, maar veel meer dan dat: met mijn plaats in het leven. Tussen mensen, onderdeel daarvan. Als kind, zus, vrouw en vrouw van, met mijn geschiedenis en de lessen daaruit. Jij vraagt mij wie ik denk dat jij bent en ik dat doet mij beseffen wie ik ben. Dat is wat jij doet aan ons, aan diegenen die met jou in contact zijn gekomen en jou in hun leven willen houden. Jij brengt prioriteiten aan: een onderscheid tussen dat wat belangrijk is en niet belangrijk is. Tussen dat wat tijdelijk is en wat blijvend van waarde is; wat altijd doorgaat. Het onderscheid tussen de Sebna in mij, in ons en de Eljakim. Degene in mij die opgaat in succes, eigenmachtigheid, die de juiste verhoudingen tot mijn Maker uit het oog verliest en degene die daar wél oog voor houdt en daarmee in contact blijft. Die keuzes
maakt die niet alleen goed zijn voor mijzelf op dit moment, maar goed zijn voor mij én mijn naasten en voor de duur van mijn leven.
Petrus antwoordt zo niet. Hij zegt ronduit, kort en krachtig wíe Jezus volgens hem is: Gij zijt de Gezalfde, de Christus, degene die verwacht wordt om alles goed te maken. Maar in die tijd leefden de mensen met een Messiasverwachting. Zó leven wij daarmee niet meer. Wij leven met Jezus als voorbeeld: hij ís inmiddels gekomen, geweest. Wij hebben hem leren kennen en wonderlijk genoeg blijft dat maar doorgaan: dat steeds opnieuw mensen hem leren kennen en met hem gaan leven. Die al levend antwoord geven op wie Jezus voor hen is. En Hem zo voortzetten.
Ik zou nu zeggen: Levengever, ordebrenger, broeder, behoeder, grote verwijzer. En morgen zijn er vast weer andere namen voor jou. Jouw naam is duizend namen.
Blijf met mij meegaan Jezus. Blijft mij aankijken en vragen stellen. Zo houd jij mij in verband met het leven zoals het bedoeld is.