Joh. 17, 1 – 11
- Lezing
- Handelingen 1, 12 - 14
Het geestelijk testament van Jezus Christus
Deze zevende zondag na Pasen heet ook ‘wezenzondag’. Er is nu een definitief einde gekomen aan de tastbare aanwezigheid van Jezus. Wij blijven, drie dagen na Hemelvaart zonder leermeester verweesd achter. Zoals na de eerste rouw om een geliefde. Eerst is die aanwezigheid nog voelbaar, en dan komt de leegte, het niets. Hoe die leegte te doorstaan! Wat doe je dan? In de Handelingen staat dat de nabestaanden zich vurig en eensgezind aan het gebed wijden. Wat zouden zij gebeden hebben? Wat kunnen wij bidden? Misschien wel dat de inspiratie van Jezus ons mag blijven vormen nu wij doorleven. Want daar gaat het evangelie over.
Het evangelie geeft ons het geestelijk testament van Jezus. Dit is het langst opgetekende gebed van Jezus in de Bijbel. Het zijn de laatste woorden van Jezus voor hij gevangen genomen wordt. Het zijn de laatste woorden van iemand die weet dat hij gaat sterven, nog geen 24 uur later! Het is een gebed voor de achterblijvenden. Zo ging dat in die cultuur. Denk bijvoorbeeld aan Jakob op zijn sterfbed en de zegen over zijn kinderen.
Het gebed doet denken aan een meditatieve tekst, een hymne. In de kringen van de volgelingen van Johannes, moesten de laatste woorden van Jezus de mooiste zijn die hij ooit gesproken heeft. Jezus bidt dat wij net zo’n diepe verbondenheid krijgen met God, als hij zelf heeft geleefd. Het is een gebed om ook na deze viering nog lang mee stil te zijn. Want Jezus spreekt in dit geestelijk testament over de kern van zijn leven, ter bemoediging van zijn leerlingen. En wij hier in deze bijzondere tijd, thuis meevierend, mogen hopen ook bemoedigd te worden.
Het gebed is niet zo eenvoudig om te aanhoren. Het voert ons terug naar het eeuwige verleden – ‘voordat de wereld bestond’ hoorden we – en naar de eeuwige toekomst wanneer wij de heerlijkheid van Christus zien in de hemel. Nauwelijks te bevatten. Ik wil proberen enkele woorden te laten oplichten.
Jezus begint met zijn ogen op te slaan naar de hemel, als symbool voor de verblijfplaats van God. Dat is niet zomaar een gewoonte. Want wat doen wij als de dingen moeilijk en zwaar worden? Dan zijn we vaak geneigd om de problemen aan te kijken op menselijke ooghoogte. Maar Jezus zegt ons: kijk niet neer of om je heen, maar kijk omhoog naar het oneindige. En misschien hebben wij dat ook wel ervaren, dat alleen al het kijken naar wolkenluchten of een sterrenhemel het voor ons makkelijker maakt om echt te bidden.
Het eerste woord van het gebed is Vader! Dat is zo’n diep mysterie van intimiteit. Niet, ‘schepper van de wereld’, niet ‘almachtige’, niet al de andere namen, maar geloven dat God jou als zijn kind ziet. Dat is zo’n groot mysterie dat Jezus zichzelf niet aanduidt met
‘ik’, maar met ‘hij’: Hij heeft van U Vader macht ontvangen om mensen het eeuwige leven te schenken.
Jezus zegt al voor zijn lijden dat hij het werk heeft volbracht dat God hem heeft opgedragen. Alleen al met dit vers kunnen we lang stil zijn: welk werk ben ík nu aan het volbrengen dat God míj heeft opgedragen? Welke opdracht heeft Jezus volbracht? Jezus heeft de macht gekregen om iedereen die hem volgt het eeuwige leven te schenken, en zo te redden.
Wat is dat eeuwige leven? We denken vaak dat ‘eeuwig leven’ betekent dat je voor altijd bestaat, waar of in welke vorm dan ook. Maar dat wordt niet bedoeld. In het Bijbelboek Openbaringen lezen we bijvoorbeeld dat de mensen die niet gered worden voor altijd bestaan in de poel van vuur. Dat is een eeuwig bestáán, maar zeker geen eeuwig léven. In het Evangelie van vandaag lezen we dat eeuwig leven iets heel anders is: God kennen en Jezus Christus kennen. Eeuwig leven is die raadselachtige, mystieke diepe relatie met God en Jezus.
Er is nog zoveel meer, maar ik wil nog graag iets zeggen over het laatste vers dat we hoorden, waarin Jezus bidt: Heilige vader bewaar hen (dus ook ons) in Uw naam. Er staat bewaren. Dat is heel opmerkelijk. Er staat niet: zorg dat ons niets overkomt, of maak ons gelukkig. Er staat: zorg dat wij niet verloren gaan. En daarbij zegt Jezus in uw naam. Zoals wij ook bidden: ‘Uw naam worde geheiligd.’ Wij zijn gewend om met namen ordening aan te brengen. Zo kunnen we iemand roepen, vat op iemand krijgen. Maar wat kennen wij als Godsnaam? Ik ben die ik ben, Ik ben die was en is en zal zijn. Ik ben die doet zijn. Dat is geen naam waarmee je vat op iets krijgt. Ik heb ooit een leraar Hebreeuws het als volgt horen uitleggen: ‘Ik ben die ik ben’ kunt je ook lezen als ‘Je moet je niet bezig houden met wie ik ben. Je moet je richten op jouw opdracht, jouw roeping in dit leven, net zoals Jezus dat deed. En aan hem hebben we mogen zien dat zíjn roeping bewaard is gebleven in óns geloof. Zo ook mogen wij geloven dat wij worden bewaard in onze roeping, in alles wat ons daarin overkomt. Bewaard op een heel andere manier misschien dan wij denken of zouden willen. Maar wij worden bewaard. Moge het zo zijn dat we dat blijven geloven.