Luc. 17, 5 – 10
- Lezing
- Habakuk 1, 2 – 3 + 2, 1 – 4
Wachten als teken van diepe trouw: opdat iedere mens doet wat gedaan
moet worden
In moeilijke omstandigheden heb je bemoediging nodig. Wij hebben bemoediging nodig, ieder van ons op zijn tijd en zeker in deze tijd nu we als gemeenschap in rouw zijn. Maar dat treft mensen wereldwijd: in onze wereld is veel bemoediging nodig voor de vele volkeren in oorlog, voor de zieken, de vluchtelingen. De grote vragen van onze tijd doen ons roepen: waar vinden we die bemoediging? We horen de profeet Habakuk worstelen met grote vragen van zijn tijd, in een context van geweld en onderdrukking – het zijn herkenbare vragen. Waarom gebeurt dit, hoe lang nog moeten de goede lijden onder de slechte, waarom overkomt mij dit? Waarom hebben we deze leiders in onze wereld, waarom is er zoveel gedoe om die Brexit, waar is bemoediging voor het volk van Amerika, waar is wijsheid te vinden? En met al die vragen beklimt dan de profeet een wachtpost en hij wacht. Hij is wakker en wacht. Hij kent de wijsheid van het wachten en leeft met vragen. Het wachten als een teken van diepe trouw, en in dit wachten en de worsteling met de vragen en de moeilijke omstandigheden breekt dan toch iets van perspectief open. De situatie zelf verandert niet, maar door dit wachten groeit iets van vertrouwen. Dat is een geheim. Het vertrouwen dat deze situatie niet alles is.
‘De rechtvaardige zal leven door zijn geloof.’ Deze wijsheid van Habakuk is vele malen geciteerd door Paulus. En het is een kernzin voor deze dag. Door te geloven, door te vertrouwen wordt het visioen werkzaam en alleen zo bouw je de hoop op. Ligt hierin de kiem van de hoop? En hoe werkt deze kern dan door bij Lucas?
Ook Jezus verkeert in moeilijke omstandigheden op zijn reis naar Jeruzalem, de plaats waar het profetenlot hem wacht. En Lucas ervaart ook de moeilijke omstandigheden van zijn tijd, als hij hierover schrijft. Want hoe is het toch mogelijk om tegen de stroom in deze prille Jezusbeweging overeind te houden en te laten groeien? Dat is een realiteit waarin wij ons kunnen herkennen. Hoe is het toch mogelijk om tegen de stroom in als christenen in deze wereld staande te blijven? En vrijmoedig te getuigen van geloof, hoop en liefde. De leerlingen staan voor de opdracht om het evangelie de wereld in te dragen. En in de verzen die voorafgaan aan wat wij vandaag lezen, krijgen ze de opdracht om grenzeloos te vergeven. Niet zo vreemd dus, die vraag om meer geloof. Het is een onmogelijke opdracht waar die leerlingen voor staan. Want dat kun je niet op je wil, grenzeloos vergeven is geen goede daad die je een keertje doet. Het is een mogelijkheid van grenzeloos leven vanuit de vergeving en staande in die stroom ook anderen vrijmaken. ‘Geef ons meer geloof.’ En dan antwoordt Jezus in beelden.
Het mosterdzaadje kennen velen van ons wel. Het is onooglijk klein en als je het laat vallen dan vind je het bijna niet terug op je keukenvloer. Dat onooglijk kleine beetje geloof is dus voldoende, horen we vandaag. Het zál uitgroeien. En het beeld van de moerbeiboom laat ons ook zien dat vanuit dit kleine beetje geloof zelfs dat wat muurvast zit in beweging komt, want een moerbeiboom heeft een enorm groot wortelstelsel. Het onmogelijke, zo’n boom verplaatsen, wordt mogelijk. Dat is bemoediging.
En dan zegt Jezus dat de leerlingen eigenlijk niet meer zijn dan knechten die hun werk doen. Ik dacht daarbij aan ons dooplied: de woorden ‘dompel je onder in water, schud het vuil van je af en doe gewoon wat je moet doen’. Doe gewoon wat je wordt aangezegd, neem je verantwoordelijkheid! De oproep van Laudato Si betreft onze zorg voor deze aarde en dan horen we: doe het gewoon, raap het vuil op en schud het van je af.
De leerlingen worden als het ware gewaarschuwd voor grootheidswaanzin. Ze hebben wel een grote opdracht om dat evangelie verkondigen, maar ze hoeven er zelf niet groter en sterker door te worden. Ze worden gewaarschuwd voor die egodikte waar hier vorige week over werd gesproken. Ze worden bemoedigd om dienstbaar te zijn aan de komst van het Rijk van God. Maar wat is dat dan dat wij maar slaven zijn? En dat we dan moeten zeggen: ‘We hebben gedaan wat we moesten doen.’ Er staat in andere vertalingen: ‘We hebben enkel onze plicht gedaan.’ Hoe moet je dat dan verstaan? Er is meer dan plicht in het besef dat je medewerker bent aan iets veel groters, want dit gaat over een heilig moeten. Een heilige plicht en dat doe je echt niet vanuit je wil, dat doe je vanuit wat je ontvangen hebt in de doop. ‘Geliefd ben je’, dat is het geschenk. En van daaruit kun je doen wat je moet doen.
Jezus breng hen en ons met die woorden in de goede verhouding. Vertrouw en begeef je in dienst van het geloven. Heb de moed om daarmee te dienen: dat is een vorm van deemoed. Een levenshouding van deemoed i.p.v. de hoogmoed waar Habakuk zijn aanklacht tegen richt. Ieder van ons is een deel binnen een groter geheel. Hier in onze gemeenschap, maar overal waar je leeft, op je werk en waar je ook gaat. Daar draag je zorg voor, daar doe je wat je moet doen als je Jezus achternagaat.
Paus Franciscus creëerde twaalf kardinalen, dat is een voorbeeld van werken voor een groter geheel en doen wat je moet doen. En Dick zou er zeker vandaag een voorbede voor gedaan hebben, want het had zijn hart om dit gebed voor de kerk onder ons levend te houden. Dat is bemoediging: bidden voor wie op ons gebed rekent. Bemoedigen wie bemoediging nodig heeft. Want hoe klein je geloof ook is, als je durft wachten en wakker blijft dan zet dit kleine geloof iets in beweging. Het draagt bij aan iets veel groters: een menswaardige wereld voor ieder schepsel hier op aarde. Mogen we ons steeds weer bemoedigd weten, opdat ieder van ons op eigen plaats ‘doet wat gedaan moet worden’.