Luc. 12, 32 – 48

Annet van Straaten
Lezing
Wijsheid 18, 6-9

‘Weest niet bevreesd, kleine kudde’, zo begint vandaag het Evangelie. Ons wordt dit gezegd, wij mogen ons hier tot die kleine kudde rekenen: weest niet bevreesd! Wat een liefdevolle, geruststellende opening. Een uitnodiging om alles waar we ons druk over maken los te laten: mijn to do lijsten, hoe ik eruit zie, of ik wel genoeg in huis heb… Laat maar los, al die zorgen en dat gepuzzel helpt er toch niets aan. Weest niet bevreesd, want: ‘het heeft Uw Vader behaagd u het Koninkrijk te schenken. Dát is de reden om niet bevreesd te zijn, want: er is iets anders, iets veel belangrijkers waar het om gaat: het Koninkrijk dat ons wordt geschonken. Door onze Vader. Een Vader houdt zijn woord, daar mogen we op vertrouwen. Het is geen vreemde, die ons iets toezegt. Nee, onze Vader. Dus dat komt!

Koninkrijk: Het Koninkrijk der Hemelen is nabij. Dichtbij ons. We hebben er, soms even, deel aan. Weet van. Een leven, dat soms opeens helemaal héél is, helemaal goed. Waarin ik niets meer hoef, verwonderd, dankbaar en met vrede vervuld kan zijn. Een moment van eeuwig leven.

En dan: verkoop je bezit, geef aalmoezen en verschaf onverslijtbare beurzen en verwerf een onuitputtelijke schat in de hemel. Een oproep: maak je vrij, maak ruimte voor die aanwezigheid. Is bezit verkopen een voorwaarde, om het Koningrijk geschonken te krijgen? Of is het een gevolg van de boodschap: dat je dan zelf je bezit graag wil loslaten en prioriteit wil geven aan het Koninkrijk? Het lijkt het allebei tegelijk te zijn: het is een oproep én een belofte! Ga het maar doen en je zult gelukkig worden! Want bij deze schat zal jouw hart zijn. Ik weet diep van binnen, wanneer ik het juiste doe, wanneer mijn hart bij mijn schat is.

Echter: wannéér het Koninkrijk komt, weet niemand. Een houding van verwachten in plaats van beheersen. Ik kan er deel aan hebben, maar het is niet van mij. Hoe moet ik omgaan met die ongewisheid? Ik lees over 2 soorten dienaren, allebei in mij aanwezig: Degenen die in afwezigheid van hun meester wijs en verstandig hun werk doen. Ondertussen verwachten zij hun Heer elk moment. Zij waren waakzaam. Het soort aandacht uit de gemeenschapsdagen. Werken met aandacht voor het hier en nu. Niet erin opgaan, niet erover heersen. Zó dienaar zijn, dán komt de meester en wordt je door Hem bediend.

Dan de andere soort dienaar. die verwacht de heer voorlopig nog niet. Hij ziet zijn kans schoon om, al is het maar voor een tijdje, zelf heer en meester te zijn: hij gaat zich als een bezitter gedragen over knechten en dienstmeisjes, eten en drinken. Hij sluit zich voor wat zou kunnen komen, hij neemt het leven in eigen hand. Deze dienaar zal zwaar gestraft worden. Getuchtigd. Omdát hij, de wil van de Vader kennende, zich toch zo gedroeg. Tuchtigen betekent o.a.: disciplineren. Voor hem is er nog een weg te gaan: gedisciplineerd worden. Leren om het bezittende te verkopen omwille van de schat in de hemel.

En dan nog iets, ter bemoediging: het Koninkrijk blijft komen. Nú, vanavond, morgen, altijd! Niet 1 keer, maar voortdurend!! Dus altijd opnieuw kunnen we ons er weer naar toe wenden en verwachten.

Het stuk eindigt met een waarschuwing: als je veel gekregen hebt, als er veel aan je is toevertrouwd, dan wordt er ook veel van je geëist! De wil van de vader te leren kennen vraagt om daar verantwoordelijkheid voor te nemen. Het Koninkrijk heeft ons nodig!