Joh. 3, 14 – 21
- Lezing
- 2 Kronieken 26, 14-23
Naar het licht toegaan
We hoorden uit Kronieken: ‘Ook de voornaamste priesters en het volk zelf vielen in grote getale af.’ Maar: ‘de God van hun vaderen werd niet moe hun telkens weer gezanten te sturen, want Hij had medelijden met zijn volk en zijn woonplaats.’ God wordt daarom niet moe het steeds weer met ons te proberen. Want Hij heeft ons lief en wil ons geluk.
‘Maar zij overlaadden de gezanten van God met smaad en sloegen hun waarschuwingen in de wind en bespotten de profeten. En toen moest Gods toorn wel onverbiddelijk over hen neerdalen.’ Het staat er, alsof God het zelf eigenlijk niet wilde, maar het niet meer tegen kon houden.
Is het God’s toorn, wat er in Syrië gebeurt? In Oost-Ghouta? En op zoveel andere plaatsen in onze wereld? Wat daar gebeurt en wat toentertijd gebeurde is een gevólg van onze menselijke wandaden. Als een natie dreigt met een handelsoorlog, met kernwapens roept dat kwaad op. Als wij niet leven met liefde en respect voor elkaar, dan ontsporen wij, dan ontspoort het leven. Dat roepen wij over ons af. En dat gebeurt keer op keer, in het groot en in het klein. Maar God wordt niet moe, ons telkens weer gezanten te sturen. Hij stuurde Kores. Een koning van de heidenen, die het mogelijk maakt dat het Joodse volk gered wordt.
En vele jaren en veel Kwaad verder, stuurde hij uiteindelijk zijn eniggeboren Zoon. Gods Zoon die zich liet kruisigen. Het kruis dat werd opgericht, zoals de slang bij Mozes. Zodat ieder de gekruisigde Mensenzoon kon zien. Hij die het kwaad op zich nam en ervoor stierf. Hem die Liefde was, aankijken en tegelijk het kruis, waaraan wij hem nagelden, onder ogen zien. Dat aanzien, onder ogen zien, om te genezen.
We hoorden in het Evangelie volgens Johannes: ‘Hierin bestaat het oordeel: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden het duisternis meer dan het licht, omdat hun daden slecht waren.’
Duisternis tegenover licht.
Moorden tegenover de liefde van God.
Afkeren tegenover geloven.
Wij worden niet geoordeeld. Wij worden in vrijheid gelaten. Met een belofte van leven in liefde en licht. Met een boodschap dat wij onszelf anders tot duisternis veroordelen. De keus is aan ons. Elk moment opnieuw. En wát we ook kiezen, God houdt van ons.
Wat kiezen wij?
Zo zwart-wit is het meestal niet. Het dagelijks leven is er vaak tussenin.
Wij streven naar het goede, maar halen dat nooit helemaal. Echter: zolang het streven er maar is, blijven we op weg naar het Licht. Want: ‘Wie de waarheid doet, gaat naar het Licht toe.’ Er is sprake van een gáán. We mogen op weg blijven.
Is dat een mooi excuus om het niet zo nauw te nemen?
Om genoegen te nemen met een lauw leven?
Belijden dat je toch je best doet en het daarbij laten?
Waar dat zo is, veroordelen we onszelf tot duisternis. Waardoor we niet gelukkig worden. Écht op weg gaan en blijven, met vallen en opstaan. Jezelf niet veroordelen, maar steeds weer naar het Licht toekeren. Dat is moeilijk genoeg. Dat betekent: je openstellen voor elkaar, waarheid doen, terugkeren op je schreden naar het Licht toe. Goedmaken wat verkeerd ging. Het is moeilijk genoeg, maar tegelijk niet té moeilijk. Het is vooral bevrijdend. Laten we ons verheugen!