Luc. 2, 22 – 40

Leonie van Straaten
Lezing
Jesaja 61, 10 – 62, 3

Zien wat onzichtbaar is?

Terwijl ik met deze verhalen rondliep in de afgelopen week, dacht ik aan een fragment uit een boek waarin een schilder een meisje portretteert. Zij komt voor meerdere sessies bij hem, maar hij doet eigenlijk nog niks. Hij schildert niet. Ze praten en hij kijkt. Het meisje zegt: ‘Meester, u schildert niet’, en hij zegt: ‘Nee, het schilderij moet eerst in mijn ogen komen en dan komt het misschien op het doek.’ Het raakte me bijzonder, dit kijken van de schilder die het onderste uit de kan moet halen. Die alle gelaatstrekken, alle mimiek, alle verschillende uitdrukkingen, alle sferen die het gelaat kan weerspiegelen eerst moet bestuderen om dit gelaat uiteindelijk te kunnen schilderen. Het is bijna de omgekeerde weg, zo las ik het in ieder geval. Want meestal zien wij eerst wat is. Meestal zien wij gewoon iemand en daar lopen we aan voorbij of we praten er even mee, maar het duurt meestal een tijdje voordat we iemand zien zoals die mens ten diepste bedoeld is – voordat we met die ogen kijken. Met ogen die zien wat niet zomaar te zien is.

Want als we met die ogen van de schilder kijken naar de wereld, naar de natuur, naar mensen: wat zien we dan? Dan zie je het verdriet over een zus die gestorven is. Je ziet de vreugde over iemand die zomaar 70 wordt vandaag. Je ziet de hoop die met kinderen geboren wordt in deze wereld. En je ziet de wanhoop in Indonesië, in Congo, op de Filippijnen. Het is een kunst om te zien wat onzichtbaar is in de werkelijkheid. Er als het ware doorheen leren zien, kan leiden tot een dieper inzicht.

Vandaag mogen we op die wijze meekijken met de twee oude mensen Simeon en Hannah. Want dit verhaal is als een icoon: de ontmoeting tussen oude en jonge mensen met Jezus daartussenin als ‘God met ons’.

Zo is het gebeurd, schrijft Lucas: Maria en Jozef deden niets bijzonders. Ze gingen naar de tempel toen de tijd gekomen was. Zij leefden trouw aan de Thora zoals het hun geleerd was en zo blijven ze in een traditie staan. Het is het bijzondere en vreugdevolle gebeuren van de eerste tempelgang. De eerste kerkgang, die ken ik nog van mijn moeder uit de verhalen over onze geboortes. Dat was heel gewoon en ook altijd een beetje feestelijk. Ik ken het ook nog van onszelf in deze gemeenschap: na een geboorte werden wij als moeders altijd met bijzondere aandacht welkom geheten als we voor het eerst weer in een dienst kwamen. Daarmee stonden we ook in die oude traditie.

Die eerste tempelgang gebeurde in de tijd van Lucas altijd veertig dagen na de geboorte. Veertig dagen als een soort van woestijntijd: tijd van belofte, tijd van doortocht. En heel praktisch: het was ook gewoon de tijd van zes weken na de bevalling waarin de vrouw

nog vloeit. Tijd die door het oude volk gedacht werd als een fysieke hersteltijd, waarna een reiniging de tijd markeert en dan kan het gewone leven weer opgepakt worden.

De Tora vervullen heeft in dit verhaal die twee verschillende kanten van kijken: er is dat wat we zien, wat gewoon bij het leven hoort en er is die diepere betekenis van het ritueel waarin je je met dit nieuwe leven verbindt met en opgenomen wordt in een volk. Simeon en Hanna: zij zien wat onzichtbaar is. Zij zijn de vertegenwoordigers van het oude volk. Zij houden het oude volk levend door hun hoop en verwachting. Want we zien niet zoveel meer dan een jong stel met een baby. Misschien kamen er wel veel jonge stelletjes en hadden ze er dus ook al heel veel gezien. Zien komen en gaan, en dan toch blijkbaar zo met ogen van hoop kunnen kijken dat ze door het zichtbare heen nog meer zien. Zij hebben de hoop levend gehouden.

Deze ontmoeting, die is als een icoon, kan mij altijd weer verwonderen en ontroeren. Stel je maar eens voor dat je erbij bent, dat je in die tempel staat. Stel je voor dat je mensen ziet die zo veel jaren blijven hopen en wachten. Mensen die zien wat er nu gebeurt. Het heden, het hodie wat we met kerstmis ook nu mochten vieren en wat eigenlijk ook helemaal onzichtbaar is. Simeon duidt het gebeuren met de woorden van Jesaja: die grote en diepe vreugde dat dit kind voor alle volken bestemd zal zijn, een universele uitwerking zal hebben. De woorden van de profeet Jesaja, die zoals vele profeten veel meer zag dan wij vaak kunnen zien. Die de bijzondere betekenis van dit kind eeuwenlang hebben meegedragen. Simeon spreekt naast de woorden van Jesaja ook ernstige woorden tot Maria, want hij ziet wat komen zal met dit kind. De scherpte van het zwaard, een scherpte die zij zal moeten dragen en verdragen. Het zal je maar gezegd worden als jonge moeder.

We leven toe naar de jaarwisseling. Het zijn dagen waarin misschien meerderen van ons wat mijmeren over het leven, over het afgelopen jaar, over het kerstfeest dat we vierden. Het Woord dat vleesgeworden is tussen ons in. Wat zou het mooi zijn als we bij deze jaarwisseling de hoop levend durven houden en dat wij als oude en iets jongere mensen steeds maar blijven uitkijken naar wat niet zichtbaar is. Vrede, gerechtigheid en liefde, maar vooral: de liefde.