Mar. 12, 38 – 44
- Lezing
- 1 Koningen 17, 10 – 16
Geven van je tekort
Met de ogen van Jezus meekijken, zijn blikrichting volgen. Daartoe worden we vandaag expliciet uitgenodigd. Uitgenodigd door Jezus zelf, in die laatste dagen van zijn onderricht binnen de muren van Jeruzalem.
Maar het begint vandaag met een waarschuwing: Kijk uit! Je verwacht dan dat je gewaarschuwd zult worden voor wat kwaad doet. En daar is hier ook sprake van, maar het kwaad komt uit een hoek waar je het niet verwacht en dus kun je je er niet tegen beschermen.
Het kwaad waarvoor Jezus waarschuwt komt uit de hoek van diegene die met Gods woord bezig zijn. Het zijn die voorgangers, die geestelijk leiders die aan hun positie status ontlenen, die de pretentie hebben van ‘het absolute weten’, die een starre, veeleisende houding innemen, leiders die juist kwetsbare mensen overvragen. En wat wellicht daaraan ten grondslag ligt: zij spreken woorden over God, die geen ruimte laten voor God zelf om te spreken tussen ons, in die stille ruimte in ons.
Wat is de werking van dat kwaad eigenlijk? De schade, die het aanricht is, dat het vertrouwen op God, op de liefde van God, langzaam maar zeker afbrokkelt, en het daarmee gepaard gaande zelfvertrouwen, het allereerst bij kwetsbare mensen. We herkennen het, geschokt als wij zijn, als het bijvoorbeeld gaat over machtsvertoon, overmatige pracht en praal, misbruik van vertrouwen door geestelijk leiders, maar vaak is het veel subtieler. Dan gaat het bijvoorbeeld over dat woorden over God leeg zijn of gesproken worden zonder dat kostbare besef ‘en nog altijd weten wij niets van U.’ Pas op, kijk uit! Laat niet gebeuren dat God wordt opgesloten in mijn en onze uitleg over God. Laat niet gebeuren dat jijzelf wordt opgesloten! Laat de ruimte open voor God, zoals Hij zich openbaart!
Maar Jezus weet maar al te goed dat het ‘pas op’ , ‘kijk uit’, ons kan achterlaten in vertwijfeling. Hij wil en laat ons ook niet achter met die bange vraag : Waarop kunnen we dan wel vertrouwen, aan wie kunnen wij ons dan wel toevertrouwen? Na zijn waarschuwende woorden nodigt hij zijn leerlingen, en ons, uit om met zijn ogen mee te kijken.
Zie hem zitten, daar tegenover de offerkist bij de tempel. Hij kijkt en wacht. We zien dat hij zijn ogen richt op de velen die voorbij gaan en schijnbaar achteloos hun gave gooien in de offerkist. Zij geven van hun rijkdom; wat meer of minder, het maakt niet echt uit. Zij geven van het teveel! Wellicht herkennen wij ons. Op zich is er niets mis mee. Immers beter van wel, dan helemaal niet. Maar…. Jezus, zo zien we, wordt door hen niet bewogen.
Maar dan is er die weduwe. We zien dat de blik van Jezus juist op haar blijft rusten, op haar de ongeziene, zij die niets en niemand heeft. Hij wijst haar aan. Kijk dáár! Zij is het die zijn hart doet opspringen. Door haar wordt zijn ziel bewogen. Jezus ziet dat zij alles geeft wat zij bezit, alles waarvan zij moet leven. Zij geeft van haar armoede. Zij geeft van haar tekort. Pretentieloos! Zij, die zonder enig aanzien is, zij is het, die werkelijk voorgaat en op wie wij kunnen vertrouwen.
Ook in het oude testament komen we zo’n weduwe tegen. De profeet Elia, wiens leven wordt bedreigd vanwege zijn aanspraken, op de vlucht, omkomend van honger en dorst, wordt in dit verhaal door God op het spoor gezet van deze weduwe. Gods ogen hebben deze weduwe gezien. En Elia waagt het haar om eten te vragen. Stel je voor: wat een vraag, aan iemand die slechts nog voedsel heeft voor één dag! Zowel Elia als de weduwe staan beide met lege handen. Elia waagt het zijn vraag te stellen en de weduwe waagt het om te delen van haar armoede. En, dat zich wagen, dat toevertrouwen van beiden, wordt niet beschaamd. Het betekent voor beiden: Leven.
Wat is het moeilijk voor mensen die veel in handen hebben, om het koninkrijk van God binnen te gaan, zei Jezus eerder. Zijn ogen gaan voorbij aan diegene die geven van hun teveel, maar richten zich op die weduwe die staat met lege handen en geeft van haar tekort. Wat maakt dat hij door haar juist wordt bewogen? Herkent hij zijn eigen weg, herkent hij zichzelf in deze ogenschijnlijk kleine beweging daar bij die offerkist? Immers, hijzelf zal die weg gaan ten einde toe, die weg van zichzelf geven, zich uit handen geven, blijven staan in het vertrouwen op God.
Hoe raakt het mij, hoe kan het ons raken? Eerst dit. Geven van het teveel. Velen van ons - ook ik - weten waar dat over gaat. Er is dan sprake van die rijke jongeling in ons, die weliswaar verlangt naar een leven met eeuwigheidswaarde, maar die niet los kan laten wat hij bezit. Geven van het teveel. Velen zullen met mij weten: vaak raakt dat niet, geen innerlijke bewogenheid, de liefde groeit niet. Het wordt niet kouder of warmer in ons, hoe goed het werk ook is dat wij doen. Het koninkrijk komt zo niet dichterbij.
En dan zegt Jezus tegen ons: Kijk, kijk naar deze vrouw daar bij die offerkist. Net zolang tot kijken een zien wordt, net zolang kijken tot het verlangen in ons opspringt om alles te geven, te geven onze armoede, onze kwetsbaarheid, je zó toevertrouwen. Je kwetsbaarheid, je armoede geven? Ik kan, wij kunnen dat niet in onszelf afdwingen, maar vroeg of laat, hoe rijk wij ook zijn, zal onontkoombaar het tekort, de kwetsbaarheid zich in ons openbaren of dat nu materieel, lichamelijk, psychisch of geestelijk is. Maar voor het zover is, kunnen we blijven kijken naar waar en in wie die kwetsbaarheid zich aandient en diegene omarmen, zoals Jezus met zijn ogen die weduwe omarmt, want hij of zij is het die ons voorgaat.
En als wij zelf die armoede in onszelf ontwaren, kunnen we de neiging leren weerstaan om ons daartegen te verzetten of ons af te sluiten. Nee, juist in die kwetsbaarheid ons
laten omarmen, juist het tekort geven, onze armoede delen, de sprong van het vertrouwen te wagen, daar groeit de liefde, daar komt het koninkrijk dichterbij.
Ooit zong iemand hier: Hooge Berkt waar is je armoede gebleven? Amen.