Joh. 3, 22 – 30
- Lezing
- Jesaja 65, 17 – 25
De a/Ander moet groter worden!
Johannes werd hier vorige week al in het centrum gezet, de evangelist noemde hem daar ‘de gezondene door God en getuige van het licht’. En ook vandaag staat hij centraal. En meteen als ik zeg dat hij centraal staat, voelt dat op een bepaalde manier aan als onwaar, want in elk woord dat deze Johannes spreekt, in heel zijn doen en laten wijst hij van zichzelf af en zet de Komende in het midden. Hij moet immers groter worden…
Na het getuigenis dat we vorige week van Johannes hoorden, is er wel wat gebeurd: Jezus roept zijn eerste leerlingen, gaat met hen in gesprek. Hij is in Kana op een bruiloft, waar de wijn op is… En er is ook nog de ontmoeting met Nikodemus, met wie hij een diepgaand gesprek voert. En dan volgt onze passage.
We horen dat Johannes nu doopt in Enon bij Salim. Dat is niet zonder betekenis: Enon betekent ‘plaats van bronnen’, het is er waterrijk - dus goed zaken doen voor een doper. En Salim betekent zowel ‘vos’ als ‘vrede’. Je zou bijna zeggen: een sluwe, slimme vredebrenger. Want deze Johannes is ook wel een onruststoker. Maar belangrijker is hier dat hij een doper is. Mensen komen naar hem toe en laten zich onderdompelen. Als we nieuw leven willen vinden, dan moeten we ons laten schoonwassen, we moeten ons losmaken van alles wat ons bezet (en vaak zijn wij bezet door van alles) en ruimte maken. Want als we geen ruimte maken, dan wordt het niks en gaat het allemaal op dezelfde voet door, er groeit geen nieuw leven. Dat gold toen, dat geldt ook nu, persoonlijk, tussen ons in. Advent is wachten, nieuw leven verwachten en dat betekent toch ook: ruimte maken voor wat en wie er op ons toekomt.
Er raken enkele leerlingen van Johannes in gesprek met een jood over de reiniging. Dit is opmerkelijk; de leerlingen van Johannes waren zelf ook joden. Maar als de evangelist over een jood schrijft, dan bedoelt hij meestal een orthodoxe jood, iemand die recht in de leer is. Bij zo iemand kun je je gelijk of je ongelijk halen. Je kunt ermee in discussie treden. En dat doen ze ook.
Het onderwerp is de reiniging. Het woord ‘reiniging’ komt maar twee keer voor in dit evangelie: bij het wonder in Kana, waar water in wijn verandert en hier. In Kana gaat het over de reiniging van de vaten, waartoe Jezus opdracht geeft en waardoor het water in de vaten in wijn verandert. Na dat wonder wordt het water niet meer gebruikt voor de reiniging, maar voor het feest met de bruidegom.
En in het gesprek tussen de leerlingen en de Jood gaat het dus ook over de reiniging, maar hier is het een vraag naar de betekenis van de doop: is het niet zo dat wij, door
onderdompeling bij de doop worden opgenomen en mogen leven als vrienden en vriendinnen van de bruidegom? Dat is nieuw leven ontvangen: delen in volkomen vreugde.
Hoewel de doper en het dopen dus heel belangrijk zijn, gaat het vandaag en in deze Adventstijd nog meer om de doorverwijzing. Johannes heeft al duidelijk gemaakt – dat hoorden we vorige week – dat het niet om hem gaat. Hij is niet de teruggekeerde Elia, noch Mozes, noch de verwachte Messias. Maar hij zaait door zijn optreden wel een heilige onrust. Hij moet zijn leerlingen er aan herinneren dat zij erbij waren, zij waren toch zelf getuigen toen hij antwoordde dat hij niet de Messias was, maar zijn wegbereider? En daarmee maakt hij hen duidelijk dat het niet erg is dat diegene meer succes heeft dan hijzelf. Want dat is de onrust, de jaloezie die de leerlingen bij zich dragen en die hen bezet, die het onmogelijk maakt om goed te kijken en iets nieuws te verwachten. Hoe herkenbaar is dit voor ons.
Johannes wijst zichzelf aan als vriend van de bruidegom, de vriend die gewacht heeft en nu die bruidegom er is, volkomen vreugde ervaart. Wat is het groots, als je op deze wijze klein kunt zijn. Kleiner durft worden om ruimte te maken voor een ander. Wat is het tegendraads, tegen alles wat onze tijdsgeest ons leert, om jezelf uit het centrum te plaatsen en een ander alle credits te geven. Wat is het vol geestkracht om in die ander God aan het werk te zien, te herkennen dat Gods heilige Geest door die ander heil brengt, mensen heel maakt en onze wereld lichter maakt. Daarin proef ik een belangeloze liefde waar ik jaloers op kan zijn: het is een lange weg voor ieder van ons, vermoed ik, om zo open en vrij naar een ander te kijken. Dat mogen we oefenen in deze Advent: ruimte maken voor een ander, opdat de Ander met een hoofdletter ruimte krijgt. Opdat mensgeworden Liefde ruimte krijgt.
Johannes leefde vast en zeker met het visioen van Jesaja, van een nieuwe aarde en een nieuwe hemel. Een stukje paradijs op aarde, een nieuw Koninkrijk van mensgeworden liefde. Want hij is die mens van verwachten van wat en wie zal komen. Van die nieuwe aarde, die komen zal. Dit verwachten van een grotere liefde doet iets met mijn onvolkomen, onvervulde leven, doet iets met mijn leegte en gemis, doet iets met mijn jaloezie, mijn angst. Het verwachten is toekomstgericht en met dat je verwacht gebeurt er al iets, daagt er iets in het oosten. Er gaat een werking uit van ons verwachten, ons verlangen.
Vandaag worden we opgeroepen zulke mensen van verwachting te zijn, mensen die uitstaan naar wat nog komen moet, een grotere liefde, een nieuwe geboorte, het komen van de mens zoals door God bedoeld, Christuskind. Zo mogen we kijken naar ieder ander mensenkind: vol verwachting. Ook vandaag ontvangen we voedsel voor deze weg van geloof.