Mar. 13, 24 – 37
- Lezing
- Jesaja 63, 16 – 64, 8
Een meditatie over ‘verlangen naar Menswording’
God verlangt dat wij mens worden.
God verlangt en zoekt.
Wat ziet Hij? Wie ziet Hij?
Ach, God, ik verlang er zo naar om mens te worden. Hoe zal het geschieden?
God ziet Adam, mens, man, vrouw: waar ben je? Het echte antwoord blijft de mens hem schuldig.
God spreekt tot Abraham.
God spreekt met Abraham. Wikken en wegen.
God beproeft Abraham.
Wat een mens! Hij ging zijn weg, waagde zich aan het verbond.
Ach God, Abraham heeft ons niet gekend maar U bent onze Beschermer, de Barmhartige. Waarom ben ik zo onbuigzaam, waarom afgedwaald van uw wegen? Keer toch terug, God, omwille van allen die U toebehoren….
God denkt aan de dagen van weleer,
aan Mozes en zijn volk.
Hoe Hij Mozes riep en met zijn heilige Geest bezielde.
Met een krachtige arm, waarmee hij een weg baande
door de chaos van het water, de chaos van het leven,
door de dorheid en de droogte van woestijntijd.
Wat een mens! Hij ging zijn weg, zijn heel eigen weg.
Hij leefde met het oog op het Verbond.
Ach God, Mozes heeft ons niet gekend, maar U, altijd een Bevrijder, dat bent U voor ons. U kent mij, in hart en nieren, U kent ieder van ons. Wij zijn toch het werk van uw handen - de klei, door U gevormd. Als U toch zou afdalen!
God ziet de mens. Hij huilt, hij lacht.
Hij wankelt tussen wat hij ziet en wat hij hoopt. Hij was zo dichtbij, in al die eeuwen. Maar die verschrikkingen, die gruwelen… Is er nog iemand die zijn naam aanroept - is er nog een mens die zijn naam een gezicht geeft, handen en voeten?
Er moet een nieuwe Mozes komen. Het kan niet anders. God wankelt niet langer, hij weet wat hem te doen staat. Dichterbij moet hij komen, dichterbij dan ooit. Hij geeft zichzelf, de nieuwe Mozes. Mensgeworden in een nieuwe tijd, voor altijd en eeuwig een voorganger, een broeder. Zo zal Hij mens zijn met de mensen. Dwars door de gruwelen heen, een onooglijk teken: gewoon maar een mensje. Het is zeker, Hij zal afdalen. Maar niet zonder vragen…
Zouden ze het snappen? Zouden ze begrijpen dat die mens komt en gaat zoals iedere mens, maar dat hij niet de laatste is als zijn beeld? Zouden ze verstaan dat God iedere mens nodig heeft omwille van dat Verbond?
God, ziet U mij? Ziet U ons? Hoort U ons? Ik verlang er zo naar om uw mens te worden. En ik ben niet alleen… Een glimp van uw beeld op te vangen, in de spiegeling van het licht. Open ons hart voor uw ondoorgrondelijke wegen. Wij zullen ons hart en onze ogen openen. Wij zullen waken over uw huis. Ieder van ons zal zijn eigen taak uitvoeren – onverschrokken, naar vermogen rechtvaardig handelen, naar eer en geweten. Wakker in onze realiteit, iedereen. We zijn onrustig en vol van verwachting. Vol moed om U te verwachten, de komst van uw mens, de Mensenzoon. Wat een mens!
Blijf hier aanwezig God, in deze tijd, zoals in al die eeuwen. In dit spel van spiegels en licht. In de ernst van leven en dood. Wij zullen waken over uw huis – en waken in de hof van Olijven. Alle dagen van ons leven.
Ja God, zo zal het zijn.
Zo zullen wij mens zijn en uw mensen worden.
Ja God, - ja!