Mat. 20, 1 – 16a

Tineke Renkema
Lezing
Jesaja 55, 6 – 9

Gods goedheid

Zoek de Heer, nu hij zich laat vinden, roep Hem terwijl Hij nabij is. Goede grond voor dit uur van vandaag op deze zondag, deze woorden van de profeet Jesaja. Zoeken, roepen en beseffen dat zijn gedachten niet onze gedachten zijn, zijn plannen niet de onze. Dat Gods wegen zo anders zijn als doorgaans de onze, laat Jezus zien als hij aan de leerlingen de parabel vertelt die we kennen als de parabel van de werkers van het elfde uur. En we weten het: een parabel heeft als perspectief altijd een andere dimensie.

Voordat Jezus deze parabel vertelt, heeft Petrus aan hem de vraag gesteld ‘Zie wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd, wat zal dan ons deel zijn?’ Een gedachtegang die we goed kennen: je ergens voor inzetten, een prestatie leveren en loon naar werken verwachten. Jezus wijst deze vraag niet af. Zij zijn hem immers uit liefde gevolgd. Hij zegt hun een leven met eeuwigheidswaarde aan. En voegt toe: Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten, want, en dan komen we bij de lezing van vandaag. Het koninkrijk van de hemelen lijkt op een landheer, die er van ’s morgens vroeg tot laat in de middag op uit gaat om mensen te roepen om te werken in de wijngaard. De oogst is groot en arbeiders zijn er nooit genoeg. Er is wel een verschil. Met de eersten wordt een nauwkeurige overeenkomst gesloten, met de werkers van het derde uur en de daaropvolgende uren dat wat rechtvaardig is.

Maar als hij op het elfde uur (5 uur in de middag) opnieuw erop uit gaat, blijkt dat zij die op de markt staan wel bereid waren om te werken, maar niet zijn gevraagd. Hoe pijnlijk! Zij hebben op een hele andere manier de hitte van de dag gedragen. Zij worden zonder afspraak over betaling alsnog uitgenodigd om in de wijngaard te werken. Ja, en dan dat cruciale moment van afrekening! Met vooropgezette bedoeling de laatsten het eerst. Wat een provocatie. De laatsten krijgen hetzelfde bedrag als overeengekomen is met de werkers van het eerste uur. De eersten staan erbij en kijken ernaar en denken nu meer te krijgen. Verontwaardigd zijn zij als ze toch niet meer dan de afgesproken denarie krijgen. De laatsten gelijkgesteld aan de eersten! Het gesprek daarover eindigt met de vraag van de eigenaar: Is jouw oog boos omdat ik goed ben? Ja, dat is het: Het is de goedheid van de eigenaar die de laatsten ten deel is gevallen. Voor zowel laatsten als eersten, voor zowel de een als de ander is bestaan mogelijk.

Een paar overwegingen die ik had tijdens het luisteren. Allereerst, wat betekent het eigenlijk om door de eigenaar uitgenodigd te worden om te werken in de wijngaard? Die wijngaard die geduid kan worden als dat koninkrijk van God. Dat koninkrijk is een verlangen, dat ergens diep verscholen zit in ieder van ons, dat land van belofte, dat land dat ik u wijzen zal. Er kwam een vraag bij mij op. Wat maakt mijn werk nu tot werk in de

wijngaard. Ik dacht: er is pas sprake van werken in de wijngaard als ik besef dat de wijngaard niet van mij is, niet mijn bezit. Ik ben niet de eigenaar. Waar dat besef ontbreekt, werk ik in eigen land, in egoland, en bouw ik niet aan dat koninkrijk en is er geen sprake van werken in de wijngaard.

Ook meende ik een beweging te zien die ons dichterbij dat koninkrijk brengt: Eerst is er sprake van een contract (werkers van het eerste uur), dan van betaling die rechtvaardig is en dan is er die goedheid die die werkers van het elfde uur ten deel valt. De parabel komt daarop uit. De goedheid van de eigenaar. Gods goedheid. Door die overstijgende goedheid krijgt het koninkrijk zijn definitieve vorm, komt het tot volheid. Wat zegt dat mij? In de wijngaard gaat het uiteindelijk om dienstwerk, heilig dienstwerk, ongeacht wat ik presteer. Ik vertrouw op de goedheid van de eigenaar, voor mij, voor allen die in de wijngaard werken, voor eersten, voor laatsten.

Eersten, laatsten. Wie zijn dat? Er zijn verschillende duidingen mogelijk, maar vaak wordt genoemd, dat de evangelist Matteus de leerlingen zelf voor ogen heeft als de eersten. Zij hebben met Jezus geleefd. De laatsten zijn dan de christenen, die Jezus niet hebben gekend, met een heidense achtergrond. De boodschap is dan: Weet dat je niet een bevoorrechte plaats hebt, als mensen van het eerste uur, als eerst geroepenen. Zo gaat het niet in dat koninkrijk. Wij kennen dat ook: Is er een volwaardige plaats voor de laatst binnengekomene, maken we ruimte, komt ieder tot zijn recht, is er voor ieder een zinvol bestaan?

Een andere duiding als het om eersten en laatste gaat: de eersten zijn mensen die het gemaakt hebben in hun leven, zij die succesvol zijn, zij die gezien worden, beloond. De laatsten zijn dan diegene die niet gezien zijn, de naamlozen, mensen met weinig gewicht, diegene die staan met lege handen. Het zijn juist deze laatsten die de goedheid van de eigenaar ondervinden. Zij staan met lege handen en zijn daardoor het meest ontvankelijk voor die goedheid van God. Er is wel één belangrijke voorwaarde: Ik moet niet blijven zitten op de bank, maar mij op de markt begeven om me te laten roepen. En de meesten van ons weten uit ervaring: Dat is een heel ding, een lange weg vaak, het uithouden en wachten tot je je geroepen weet en jezelf terugvindt op de plaats die voor jou is bestemd.

En dan is er nog het antwoord van Jezus op de verontwaardigede reactie van de eersten: Ben je boos, omdat ik goed ben? Het klinkt mij in de oren als een waarschuwing: Pas toch op! Voor je het weet, heb je jezelf met dat boze oog buiten de wijngaard geplaatst en werk je in eigen land. Pas toch op! Voor dat ik het weet, ben ik vergeten dat ik niet zelf de eigenaar ben en raak ik verloren voor de goedheid én voor de opbouw van Gods rijk.

Gelukkig kunnen we elke keer als dat dat dreigt te gebeuren, en als het gebeurt, weer terug naar het besef dat Gods goedheid te groot is voor die eerste laag van geluk, van bevoorrecht zijn, van loon op grond van prestatie. Gelukkig kunnen we altijd terug naar de markt om ons opnieuw te laten roepen om te werken in zijn wijngaard.

Mag het zo zijn dat we hier in deze gemeenschap en op de plaatsen waar wij wonen, werkers zijn in de wijngaard en ons afhankelijk weten van de goedheid van God die te groot is voor het geluk alleen. Die goedheid dat ieder kan Leven! Onderweg naar dat land van belofte, Gods Rijk.