Mat. 18, 21 – 35

Leonie van Straaten
Lezing
Sirach 27, 30 – 28, 7

Familie in Christus?

Afgelopen weken liepen we met zes leden van onze gemeenschap in Lapland in het spoor van Dag Hammerskjöld en iedere dag stonden we rond een van de merkstenen. De tekst op de merksteen lazen we hardop – verder bleef het stil. Zes individuen die dag na dag groeiden in broeder- en zusterschap. Door in het heel gewone als broers en zussen samen op te trekken. Maar we liepen daar wel in de context van ‘familie in Christus’ zijn. Want zonder die context hadden we elkaar nooit ontmoet. Het kader van Matteüs is diezelfde ‘familie in Christus’. Zoals wij hier samen geroepen zijn, ecclesia, zó zijn we een familie met een opdracht.

Toen ik enkele weken geleden deze lezingen tot me door liet dringen vroeg ik me af: ‘is dan iedereen in die familie mijn broeder of zuster?’ Ja, maar er is toch onderscheid, want met de een leef je meer in relatie dan met de ander. En iedere relatie binnen die familie kent groeikansen. We hebben het Matteüs 18-gesprek jaren geleden al eens een jaar lang geoefend op voorspraak van onze toenmalige voorzitter. Het enige doel van dat gesprek is dat je je broeder of je zuster wint. Want Matteüs spreekt zijn zorg uit dat er niemand verloren mag gaan binnen die familie. Dat is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid.

‘Maar wat is dan dat misdoen?’, vroeg ik me vervolgens af. ‘Misdoen’ ofwel het moeilijke woord ‘zondigen’ komt dichtbij het Brabantse: ‘ach, ‘t is sund’ – als er een kopje thee omgestoten wordt, of een glas wijn. ‘t Is sund als het goede in het leven, in de gemeenschap verspild wordt. ‘t Is sund als we onze bestemming verloochenen. Als we tegen de gastvrijheid handelen, als we de eredienst verstoren. En je zou het ook anders kunnen zeggen: ’t Is sund als we ons afkeren van de ander, van God en ook als ik me afkeer van mijzelf: dat is verspilling van het goede, want daardoor doe je schade aan jezelf en aan de ander.

Maar hoe zit het dan binnen die familie? Is iedereen mijn broeder en zuster en wie ben ik daarin, dat ik zou kunnen zien of die ander misdoet? Het heeft er voor mij mee te maken dat je die ander wel moet kennen. Kennen als met Gods ogen naar die ander kijken. Want als je met Gods ogen kijkt dan kun je ook de schade herkennen, daar waar het goede verspild wordt. Het vraagt van mij dat ik met liefde naar die ander kijk en soms is dat door ervaringen, door geschiedenis heel moeilijk of misschien wel onmogelijk geworden. Voor mij is het dan de vraag of dit een eindpunt is, definitief onmogelijk of misschien een pauze die jaren kan duren.

Maar wat doe je dan als die ander misdoet tegen mij? Maar dat kun je heel breed zien, denk ik. Gisteren las ik in Trouw een indringend stukje over de brief die bisschop Tutu schrijft aan Aung San Suu Kyi en hij spreekt haar aan als ‘geliefde zuster’. Hij beleeft blijkbaar dat hij met haar in die familie van Christus leeft en hij spreekt haar aan op haar zwijgen over de Exodus van de Rohingya. Dat is een indringend voorbeeld op wereldniveau. Maar het is ook veel dichterbij tussen mijn partner en mij: wat doe ik als ik ontdek dat we misdoen, dat er iets verspild wordt in de relatie? Voor mij geldt dan dat ik meditatie en gebed moet beoefenen, de tijd moet nemen. Me eerst tot mijzelf en tot God moet verhouden om te kunnen luisteren op die laag van onderscheiden waar het op aankomt. En dan moet ik het wagen om uit mijzelf te komen om te spreken met die ander. Niet over de ander, maar met hem of haar: dat is een belangrijke instructie van Matteüs. Met elkaar praten terwijl er iets verstoord is, vraagt om intimiteit en respect. Dat vraagt dat ik mijn eigen gelijk niet voorop stel. Dat vraagt dat ik voor ogen houd dat het enige doel is om mijn naaste terug te winnen binnen de familie van Christus. Terug te winnen voor zichzelf.

Als het niet tot dit gehoopte doel leidt, volgt er een tweede stap. Je haalt er iemand bij, maar: wie haal je er dan bij? Iemand met wie je het goed kunt vinden en die je onmiddellijk gelijk zal geven? Matteüs spreek over ‘getuigen’. Dat klinkt heel wat objectiever, want anders lopen we het risico dat er kliekjes gevormd worden die elkaar bevestigen en dan gaat dat hogere doel binnen de familie verloren. Getuigen die kunnen luisteren, geven dat hogere doel weer een kans. Het is de vraag of ik de spanning zolang uit kan houden. Dat ik niet in de wandelgangen toch van alles loop te vertellen, roep om mijn eigen gelijk, suggereer dat ik in de slachtofferrol zit. Dat is lastig, want voordat je het weet heb je hier of daar je pijn gedeeld op een manier die net niet helemaal zuiver is. Voor mij geldt: ga het bos maar in, houd het uit. En dat doe ik ook, ten minste dat oefen ik. Ik zeg niet dat het altijd goed gaat.

En dan is er nog een derde stap. En die vind ik misschien wel de moeilijkste omdat de ervaring laat zien hoe moeilijk het gesprek in de gemeente is. We hebben ervaring met grotere onderscheidingsprocessen: luisteren, stilte, bidden en wagen om je uit te spreken, niet om je eigen gelijk te halen, maar om de ander te winnen en God te eren.

Als dit proces nog altijd geen goed gevolg heeft, komt dat pijnlijke oordeel, dan wordt de ander in de ban gedaan – als een heiden of een tollenaar. Maar zit niet juist daar ook een scharnierpunt in het verhaal van Matteüs? Jezus is immers degene die de heiden en de tollenaar uitnodigt en binnenhaalt? Daar waar wij soms die definitieve punt zetten en denken: ‘dit komt nooit meer goed’, daar staat Hij in ons midden en ziet de kwetsbaarste, de kleinste, de uitgestotene. Want het enige doel blijft dat de zondaar zich bekeert en wordt vrijgemaakt, vergeving ontvangt.

In beide lezingen vandaag gaat het over een vorm van geweldloze communicatie. Het gaat om het opnemen van je individuele verantwoordelijkheid als mensenkind. Ezechiël is de eerste profeet die het idee van de collectieve schuld doorbreekt. Beide lezingen

vertellen ons dat er een kans is om ons toe te keren, naar de ander, naar God en naar jezelf. En ik lees ze vandaag als een oproep om die kans niet te verspelen. Om werkelijk te oefenen in communicatie, om op te staan als er schade is aan het eigen leven of aan het leven van de gemeenschap. Het is een kans voor ons als gemeenschap, maar ook voor ons als kerk. De kerk als een oefenplaats om die gedragsregels die we vandaag horen met het oog op het Rijk van God te onderhouden. Het is een avontuur om onze onderlinge communicatie te onderzoeken en te zien: waar kan ik oefenen om te zwijgen en waar kan ik oefenen om te spreken. Maar het enige doel blijft dat we groeien als familie in Christus. Want waar twee of drie in zijn naam samen zijn daar is Hij in ons midden. Dat mogen we vieren, ook vandaag.