Mat. 15, 21 – 28

Tineke Renkema
Lezing
Jesaja 56, 1,6,7

Over grenzen gaan

Een uitzonderlijk en kostbaar verhaal deze ontmoeting van Jezus met de Kanaänitische vrouw, waarbij we ook nog eens worden uitgedaagd om ons beeld van Jezus open te laten functioneren, want misschien zijn we geschokt door de wijze waarop Jezus zich opstelt ten aanzien van deze vrouw van over de grens.

In de Naardense vertaling staat: En Jezus gaat dáár weg en neemt de wijk naar de gebiedsdelen van Tyrus en Sidon. Waarvan gaat Jezus dan weg? Wat doet hem wijken? Voorafgaand aan dit ‘de wijk nemen’ is er een zeer harde confrontatie tussen Jezus en de Farizeeën. Jezus noemt de opstelling van de Farizeeën t.a.v. de reinheidswetten schijnheilig. Het gaat Jezus daarbij om de binnenkant, de zuiverheid van het hart. Dat gezegd hebbende neemt Jezus de wijk.

En dit ‘wijken’ is niet de eerste keer in het evangelie volgens Matteüs. Aan het begin van Jezus’ leven is er al dit ‘wijken’ naar Egypte vanwege Herodes en ook bijvoorbeeld na de moord op Johannes de Doper. Het gaat dus altijd om een zeer dreigende situatie. Vandaag is het ‘wijken’ de zevende en de laatste keer. Het gaat hier dus echt om een keerpunt op de weg die Jezus gaat.

Jezus wijkt uit tot over de grenzen van het joodse land, het land van de heidenen, die vreemde ander. Een Kanaänitische vrouw komt hem tegemoet, schreeuwend, hem op dezelfde wijze aanroepend als bijv. de blinde uit het joodse land: ‘Heer, zoon van David, heb medelijden met mij.’ Het is een erkenning van hem. Ze ziet wie hij is en gelooft dat hij haar dochter zou kunnen bevrijden van haar bezet zijn door destructieve machten. Dat is wat deze vrouw drijft: een en al bewogenheid om haar dochter, een bewogenheid die tot een schreeuw is geworden.

En heel opmerkelijk reageert Jezus, bedreigd door zijn eigen volk, getergd wellicht, niet op dit schreeuwen. Geen woord spreekt hij. Dit komt ons voor als een botte weigering, die we van hem niet kennen. Wat gebeurt hier? De leerlingen vragen hem zich van haar los te maken. En dan, met dat geschreeuw achter hem, om hem heen, brengt Jezus onder woorden hoe hij zich geroepen weet: er te zijn voor de verloren schapen van het huis van Israël. Ik dacht: Het is alsof het bij hem inslaat, een inslag: ‘Hier over de grens hoor ik niet te zijn.’ Van nu af zal er geen wijken meer zijn, hoe bedreigend de situatie ook is en nog zal worden. Hij zal gaan naar het hart van het Joodse land: Jeruzalem omwille van die verloren schapen. Daar staat hij nu en kan niet anders.

En de vrouw? Zij trekt zich niet terug, komt dichterbij en knielt voor hem neer. Dat is nu wat je noemt je wagen aan een ander! Haar geschreeuw is intussen geworden tot een ‘Heer, help me’. Deze vrouw wijkt niet, zelfs niet als Jezus haar zegt, dat het brood er louter is voor de kinderen van Israël en niet voor de hondjes (honden zijn onrein). Zij riep in mij iets op van die aartsvader Jakob in zijn worsteling in de nacht bij de Jabbok: ‘Ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent.’ Ook zij staat en kan niet anders. Zij blijft de verbinding zoeken, terwijl ze zo honds afgewezen wordt. Zij erkent haar eigen positie als niet behorend tot de kinderen van Israël. Zij erkent de positie van Jezus. Zij erkent het verschil én daagt hem uit over grenzen te gaan.

Hoe doet zij dat? Zij roept hem op om met haar te geloven dat wanneer het brood, het leven, wordt gedeeld het niet ten koste zal gaan van de kinderen van Israël. Er is immers genoeg. Ik dacht: Is het niet het geloof van Jezus zelf waar zij beroep op doet? Zij raakt hem juist daar! Dat geloof dat 2 broden en 5 vissen voldoende zijn, als het wordt gedeeld? Blijven er geen 12 manden met brokstukken, kruimels over, zoals in het verhaal over de broodvermenigvuldiging, wat vlak voor deze ontmoeting heeft plaatsgevonden? En zou dat niet kunnen worden gedeeld met die vreemdeling? De kruimels, waarvan de vrouw gelooft dat het genoeg is om Leven te geven, omdat zij deel uit maken van hetzelfde brood. Het is alsof zij zegt: Deel dan ook van dit brood met mij. En hier is het springende punt, het keerpunt: Ook zij staat op heilige grond. Daardoor wordt Jezus, zo stelde ik het me voor, geraakt. Hij herkent haar als gelovige, dat wat hen verbindt. En pas dan komen genezende en bevrijdende krachten vrij, opdat ieder daarna een eigen weg kan gaan.

Wat roept dit verhaal bij mij op? Die ander, die vreemde ander? Hoezeer van alle tijden? Wanneer grenzen wij ons af? Wat maakt dat wij ons openen? Wat is nu eigenlijk het keerpunt, dat we ons toekeren en oog in oog komen te staan? Die vreemde ander, de zo anders gelovige, de zo anders geaarde, die uit verre streken, kortom de mij vreemde van heel dichtbij of veraf.

Wanneer grenzen wij ons af? Het kan nodig zijn, dat ik mij moet beschermen, dat ik bij mijzelf moet zijn, de grens moet zetten, omwille van de plaats waar ik sta, mijn identiteit, opdat deze niet vervaagt, verwatert (ik, wij als gemeenschap, als christen, als volk, behorende tot deze cultuur). Soms grenzen wij ons ook af, omdat we het niet vertrouwen, onze angst te groot is, omdat we bang zijn dat die ander mij mijn gezicht zal ontnemen. We wagen ons niet aan die ander.

Afgrenzen, ja, nodig, maar uiteindelijk is het ons geschonken geloof een relatiegeloof, geloof in verbond. God heeft niet het individu maar de relatie geschapen. Zo zijn wij bestemd. Die ander zonder wie ik niet kan ontdekken wie ik ben. De één die tegen de ander zegt: Omdat jij anders ben, weet ik wie ik ben.’ Het is immers doordat Jezus over de grens gaat en deze vrouw ontmoet, dat hij ontdekt waar hij zelf staat: ‘Ik ben gekomen voor de verloren schapen van Israël.’

Maar het opengebroken worden gebeurt pas op het moment dat het geloof van de vrouw aan het zijne raakt. Jezus opent zich als hij ontdekt dat ook zij staat op heilige grond. Dat moment dat gezamenlijke grond wordt gevonden om op te staan, verbondenheid sterk genoeg om het verschil te dragen. Pas op dat moment wordt de Kanaänitische vrouw zijn naaste, die is zoals hijzelf. Die beweging van openen, je toekeren gebeurt dus pas op het moment, dat ik besef, dat die ander niet alleen anders is, maar ook is, zoals ikzelf ben. En pas dan komen bevrijdende helende krachten vrij.

Dat geldt ook voor ons als deze gemeenschap, dat geldt tussen ons, maar ook in contact met gasten, andersgelovigen, in contact met mensen uit andere culturen, godsdiensten. De bevrijdende genezende krachten komen pas vrij in die beweging van openen, van uit onszelf treden, van je wagen, van wachten (en soms moet je lang wachten) tot je geraakt wordt door die ander. En dat geraakt worden gebeurt als je gezamenlijke grond vindt om op te staan, als je geraakt wordt door het ‘jij bent zoals ik ben’.

Bevrijdende helende krachten als je weet: uiteindelijk delen we de kruimels van hetzelfde brood, staat ieder van ons op heilige grond. Tot verbond zijn wij bestemd. Broeder/zusterschap wees er niet bang voor! Zo zijn we genodigd aan zijn tafel.