Mat. 10, 37 – 42
- Lezing
- 2 Koningen 4, 8 -11
Aan de bron je toevertrouwen
De tekst uit het evangelie van vandaag kwam bij mij binnen als scherp, radicaal, niet makkelijk te verteren. Wellicht gold dat ook voor u, toen u ernaar luisterde. Als een tekst zo confronteert, vraagt dat een keuze: Of ik leg deze naast me neer, want ik wil niet uit mijn comfort-zone worden getrokken of ik probeer verder te luisteren en te kijken waar het me brengt. Maar dan wil ik ook de verleiding weerstaan deze woorden te verzachten. De woorden van Jezus die vandaag klinken, lijken zo haaks te staan op wat Jezus in het volgende hoofdstuk zegt: ‘ik ben zachtmoedig en nederig van hart’ en ‘mijn juk is zacht en mijn last is licht.’ Ze geven een beeld van Jezus weer, dat we zo graag zouden koesteren. Dát roept de tekst van vandaag in ieder geval al op: om ons beeld van Jezus open te laten functioneren.
Allereerst is van belang, luisterend naar deze woorden, dat Mattheus deze woorden schrijft in de dagen van de eerste christengemeente. De evangelist heeft al schrijvend deze joodse christenen op het oog, die leven in uiterst verwarrende en verscheurende omstandigheden. Er was sprake van ernstige verdeeldheid tussen Joden die de Messias belijden en Joden die dat niet deden. Mensen werden daadwerkelijk vervolgd en gekruisigd. De uitspraken van Jezus, zoals we vandaag horen, waren dus pijnlijke realiteit. Er werd daadwerkelijk een wig gedreven tussen familie, huisgenoten die vijanden werden.
Het staat er niet, maar ik zou me kunnen voorstellen dat Jezus ontzet is geweest, dat zijn optreden zo inwerkt, ontzet dat hij zoveel weerstand, vijandigheid ontmoet, dat ze hem naar het leven stonden, zoals wij ontzet zijn als christelijk gelovigen elkaar niet vinden en soms niet samen aan zijn tafel kunnen gaan, zoals wij ontzet zijn dat mensen vanuit de verschillende wereldgodsdiensten elkaar naar het leven staan.
Jezus vervolgt zijn woorden over verscheurdheid binnen families met de uitspraak ‘wie meer houdt van zijn vader en moeder dan van mij, is mij niet waard; wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard.’ Dat moet je tegen mij als moeder natuurlijk niet zeggen, en dan toch: luisteren. Deze woorden van Jezus dwingen mij ertoe stil te staan bij wat het fundament is waarop ik als gelovige sta. ‘Alles begint bij God’, zo verwoord ik dat op dit moment. En dan begrijp ik: Waar dat fundament, die bron, die grotere liefde, groter dan ons eigen hart, wordt aangetast, daar gaat mijn, onze kleine, tussenmenselijke liefde verloren. Waar je van de bron wordt afgesneden, daar gaat de liefde voor ouders, kinderen, diegene die je na staan, verloren.
Niet voor niets kan het ‘eer je vader en moeder’ worden gelezen, zo leerde ik in één van onze leerhuizen, als ‘geef hen het juiste gewicht, het gewicht dat hen toekomt.’ Liefde
voor ouders, kinderen wordt gevoed vanuit en door die grote scheppende liefde, die ons overstijgt. Vandaar: ‘Alles begint bij God.’ Alles begint dus bij het ontvangen. Wat niet ontvangen wordt, kan niet worden gegeven. Waar niet ontvangen wordt, daar raakt onze kleine liefde, uitgeput.
Jezus vervolgt met de woorden over het opnemen van het kruis :’ Wie zijn kruis niet opneemt en mij niet volgt….’ Wat is dat kruis dat moet worden opgenomen? Ik denk dan niet als eerste aan ieder huis heeft zijn eigen kruis, maar aan die afgrondelijke ervaring van ‘mijn God mijn God waarom hebt gij mij verlaten’. Een ervaring waarin God de Aangesprokene blijft tot in onze dood. In dát spoor Jezus volgen, in dát spoor waar God de Aangesprokene blijft, daarnaar uitstaan, met díe mogelijkheid voor ogen, dát léven … Ik durf er niet veel méér over te zeggen, weet hebbend van grote woorden, een klein hart en weinig ervaring, maar voor mij gaat het daar wel over.
En als Jezus dan verder gaat met ‘wie zijn leven vindt, zal het verliezen en wie het verliest omwille van mij, zal het vinden’ worden we nog verder in dit geheim meegenomen. Hier spreekt iemand die beproefd is op al die gaven, al die talenten die hij bezat om zélf de wereld te redden door de macht, de regie, de controle in handen te nemen, deel uit te maken van de heersende klasse, zich de eer en het aanzien te laten welgevallen. Jezus heeft ervan afgezien! En zo is hij Redder geworden. Redder door zichzelf, zijn grootheid, uit handen te geven, toe te vertrouwen. Heel het leven van Jezus bestaat uit het verwijzen naar God! En dat is zijn geluk. En dat wil hij ons doorgeven. Het je leven verliezen ‘omwille van mij’, betekent dus ‘omwille van gelukkig leven’, betekent leven vanuit dat fundament: ‘Alles begint bij God’
Ken ik dat? Hebben we er weet van, van dat ‘je leven verliezen om het te vinden’ Zijn het, behalve misschien inslagmomenten in je leven, juist niet die momenten, waarbij, al is het maar voor even, alle gedachten aan je eigen naam zijn uitgeschakeld; die momenten, als is het maar voor even, dat je je gezicht verliest en één wordt met de velen; die momenten dat het je overkomt, al is het maar voor even, dat je je toevertrouwt aan de Bron; die momenten dat je zelf voedsel bent geworden?
Misschien is het goed om je af te vragen op een stil moment: welke momenten zijn dat eigenlijk voor mij? Want het zijn momenten dat je Jezus opneemt, en dat je daar doorheen iets van God gewaar wordt, omdat je in die beweging, in die stroom van liefde terecht komt. Dat is het loon, dat je ontvangt, waarover het laatste gedeelte van de tekst spreekt. Dat is het loon dat de vrouw uit Sunam ontvangt als haar een toekomst wordt aangezegd door haar belangeloze, van zichzelf afziende gastvrijheid.
De uitnodiging is er om Jezus op te nemen, hij, die de kleinen een beker koud water geeft, zijn leven verloor om het te vinden, zijn leven tot eer van God. Alles begint bij God! Laten we aan tafel gaan, waar Hij ons voedt, waarna wij gezonden worden om zelf voedsel te zijn. Laten we aan tafel gaan om te ontvangen wie we zijn, te worden wie we ontvangen.