Joh. 11, 1 – 45

Tineke Renkema
Lezing
Ezechiël 37, 12 – 14

Geloof je dat?

Opnieuw een groot verhaal uit het Johannesevangelie in deze 40-dagentijd, waarin we worden meegenomen in heel die dynamiek die ons geloven tekent, heel die beweging van leven, sterven en opstaan. Geen verhaal over onze natuurlijke sterfelijkheid, maar over opstaan tot nieuw Leven.

We zijn in het huis van Maria, Martha en hun broer Lazarus, vriend van Jezus, die ziek is. In het hele verhaal horen we deze Lazarus niets zeggen, niets doen. Lazarus ondergaat. Heeft die passiviteit iets van doen met zijn ziekte? En wellicht hebben de beelden aan het eind van het verhaal, zoals het in linnen doeken gewikkeld zijn, het totaal afgesloten zijn van het leven in een graf achter een steen, ons ook iets te zeggen over wat er met Lazarus aan de hand is. Er lijkt sprake van een levende dode man. Er lijkt sprake van een on-leven. Niets wijst erop dat deze Lazarus staat op eigen grond, laat staan heilige grond. Maar gaat het nu om Lazarus alleen, om wat er aan hem gebeurt? Om een wonderteken alleen? Waar verwijst dat teken dan naar?

Aan het begin van het verhaal horen we Jezus zeggen waar het echt om gaat: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de verheerlijking van God.’ Dat is de kern. In het verhaal van vandaag, op het scherp van dood en leven, gaat het om de verheerlijking van God. Als het op zo’n moment in ons leven uiteindelijk gaat om eer te brengen aan God, wat zeg ik dan eigenlijk? Zijn er woorden waardoor er iets open komt? Daar heb ik de afgelopen week naar gezocht.

Het lijkt onbegrijpelijk dat Jezus twee dagen wacht voor hij op weg gaat, als hij de boodschap krijgt dat Lazarus ernstig ziek is. Pas de derde dag, ja de derde dag (dag van opstanding, als voorbode op zijn eigen leven, sterven en opstaan) gaat hij onderweg. Hij laat zich niet weerhouden, ook niet door het protest van de leerlingen die bang zijn dat Jezus zijn dood tegemoet gaat, omdat de Joden hem naar het leven staan. Jezus gaat en hij gaat nu pas, opdat de leerlingen zullen gelóven. En zij zullen geloven, als zij met eigen ogen kunnen zien, dat de macht van een leven ten dode, gebroken wordt. God wil geen dor en doods leven, maar wil te allen tijde Leven.

Bij aankomst ligt Lazarus dan al vier dagen in het graf. Martha komt Jezus tegemoet. Hij zal opstaan, je broer, zegt hij haar. Ik weet het, zegt Martha, hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag. Martha weet het! Maar de vraag is of dit woord in haar leeft, in mij leeft? Zijn het, om het zomaar eens te zeggen, ‘sprongwoorden’? Springen die woorden het geloven in? De vraag is nu of er in mij, in ons iets open gaat, als we naast Martha gaan staan en Jezus horen zeggen: ‘Ik ben de opstanding en het leven.’?

Ik hoor dan in de eerste plaats in het ‘ik ben’ dat heel zijn leven doortrokken is van God: Ik ben van Ik ben, de Godsnaam. ‘Ik ben de opstanding en het leven.’ Heel zijn wezen is dus gericht op dat ‘opstaan en leven’. Daar valt hij mee samen. ‘Opstaan en leven’ is zijn ziel. Met andere woorden: Alles in hem komt in opstand tegen een leven wat misschien wel op leven lijkt maar dat niet is. Alles in hem staat op tegen een on-leven. Zo ben ik, zo sta ik voor je, hoor ik Jezus zeggen. ‘Opstaan en leven’ gaat dan niet over straks, ooit, de laatste dag, zoals Martha suggereert, nee over het hier en nu, over hij, die nu, op dit moment, voor mij staat. Zo te leven en dat te vertrouwen heeft eeuwigheidswaarde. Dat leven zal nooit sterven, ook als ik dood ga. ‘Geloof je dat, geloof je in mijn leven?’, vraagt hij. En ik dacht: Het is misschien de belangrijkste vraag die een mens aan een ander kan stellen: Geloof je in mij, in mijn leven? In de eeuwigheidswaarde van mijn leven?

Kom, ga mee, zegt hij. Wat gezegd is, zál worden gedaan, moet worden gedaan. Zo kennen we hem. Daar is Maria en met haar de weeklagende menigte, weeklagend om de dode Lazarus. Tot in zijn diepste bewogen, woedend wordt Hij om wat hier gebeurt: Leven dat dood is en mensen die zich daarbij neerleggen, daarin berusten. En we kennen dat in meer of mindere mate, in ons, om ons heen. Heel zijn wezen, alles wat hij is, verzet zich hiertegen, alles komt in opstand. Naast de woede is er ook dat immense verdriet over een leven dat als verloren beschouwd wordt, afgesloten leven achter een steen, leven dat alleen nog een kwade geur verspreidt, onleven. Een en al bewogenheid is hij om een leven dat dood is. Het mag niet en het zal niet! God om mensen bewogen openbaart zich.

Dan is er zijn roepen, zijn schreeuwen, zijn gevecht tegen de macht van deze dood: Naar buiten, eruit, uit dat graf. Haal weg die steen! Haal weg alles waardoor het hart is gepantserd, het leven afgesloten, ingekapseld, aan de vernietiging prijsgegeven. Haal weg die steen! Maak hem los, bevrijd hem, laat hem gaan.

Als het dan stil is geworden, hoor ik opnieuw die vraag: Geloof je het nu? Geloof je in mij? Ik hoor deze vraag nu als een uitnodiging: Wil je met mij dat gevecht leveren, het gevecht tegen de dood. Het gevecht in jezelf, het gevecht omwille van een ander, het gevecht tegen een on-leven, dat leven dat op leven lijkt en het niet is! Wil je deel hebben aan mij, deel hebben aan mijn opstaan en leven? Wil je deel hebben aan Gods werk in mij? Dát is God eren. We eren God door te ‘Leven’ en ons te verzetten tegen een leven wat op leven lijkt maar het niet is.

In de grote Paasdienst zullen we het antwoord geven, als we drie maal zingend zullen belijden: Ja, wij zijn op weg om in hem te geloven. En ik dacht: Misschien is dat wel het belangrijkste wat je aan de A(a)nder kunt geven: Ja, ik geloof in U, ja, ik geloof in jou. Mogen we zo onze belijdenis na de stilte laten klinken vandaag om daarna ons in zijn gebaar van liefde te begeven.