Mat. 5, 17 – 37
- Lezing
- Jezus Sirach 15, 15 - 20
Het radicale liefdesgebod van Jezus
‘Hoor, maar ik kan niet horen ... Hoor, maar ik wil niet horen.’ Dit lied hebben we gezongen, voordat we naar het evangelie luisterden. Dit lied past heel goed bij wat we zojuist Jezus hoorden zeggen. Want er gaat iets aan vooraf, namelijk de vraag: Wil je horen? Want we hebben de vrijheid om te kiezen: voor vuur óf water, zegt de eerste lezing; voor dood óf leven, voor kwaad óf goed. En als we kiezen voor het kwaad, weten we ook wat de gevolgen ervan zijn, zoals de mensen in Syrië: geweld, oorlog, chaos. Maar we kunnen ook kiezen voor het goede, voor die tegenkracht van mensen die opkomen voor vrede en gerechtigheid. Denk aan de demonstraties van de tienduizenden mensen deze week in Roemenië: de tegenkracht tegen corruptie en slechte regering.
Voor die tegenkracht komt ook Jezus op in zijn Bergrede en hij geeft enkele straffe richtlijnen voor onze omgang met elkaar. Hij begint met te zeggen: Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen, nee, ik ben gekomen om die te vervullen. Wat erop volgt, zijn dan richtlijnen met een zogenaamde tegenstelling. Ze worden steeds ingeleid met de woorden: “Jullie hebben gehoord dat er gezegd is, …maar ik zeg jullie…” Dat lijkt een scherpe tegenstelling te zijn tussen de Wet van Mozes en het gebod van Jezus, alsof hij de Thora afschaft. Maar dat is niet waar; hij gaat juist tot het hart van de Thora, tot de wortel, hij is radicaal. Hij hoopt dat wij ook zo radicaal zijn en niet geneigd om alsmaar te sjoemelen. Hijzelf is in ieder geval de weg gegaan tot het uiterste, tot aan zijn dood op het kruis. Zo ook zijn er mensen die in dezelfde geest die weg gevolgd zijn; ik denk b.v. aan pater Frans van der Lugt s.j. in Homs, die de christenen in Syrië niet wilde loslaten.
Wat nu die richtlijnen betreft, daar wil ik drie opmerkingen bij maken. 1. Het belangrijkste is dat het bij de geboden gaat om de liefde. Jezus zelf heeft dat een keer gezegd, toen hem gevraagd werd: wat is het grootste gebod? Als antwoord geeft hij dan de samenvatting van de Wet in het dubbelgebod van de liefde: de liefde tot God en de liefde tot de naaste. Als ik nu kijk naar het eerste voorbeeld dat Jezus in de Bergrede geeft, dan roept hij op tot een vergaande liefde voor de naaste. Jullie hebben gehoord dat tot de oudsten gezegd is: U zult niet doden. Nee, de ander doden kunnen we goed verstaan. Maar dan gaat hij verder met te zeggen: Het begint al, als je kwaad wordt op je broeder, als je hem uitscheldt voor dwaas of gek. Dat woord gebruikt hij: broeder, zelfs tot vier keer toe. Het gaat dus om broederschap en zusterschap. En het meest indringende gebod is dit: Als je een offergave naar het altaar brengt, laat dan je offergave achter voor het altaar en ga je eerst verzoenen met je broeder. Uit zijn op verzoening met je broeder of zuster. Het is de liefde die ons drijft en dan kunnen we zover gaan dat we
nederig buigen voor onze broeder of zuster en vragen om vergeving, vóórdat we nederig buigen voor God en Hem vragen om vergeving.
2. Een tweede punt. Soms geeft Jezus een algemene norm, zoals b.v. aan het eind van de Bergrede, waar hij zegt: Behandel de mensen in alles, zoals jullie willen dat ze jullie behandelen (Mt 7,12) of met het spreekwoord dat wij gebruiken: wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dit is een algemene norm, maar in de praktijk van alledag moeten we dat concreet maken. Dat betekent dat we van binnen moeten luisteren, in ons eigen geweten. Het is altijd een wisselwerking tussen Jezus die het gebod geeft, en mij die van binnenuit probeert te luisteren en te doen. Of zoals pater Schilling ons heeft geleerd: luisteren en doen, ja, maar daarna weer blijven luisteren.
3. Nog een derde punt. Jezus wijst met zijn geboden op de weg die we mogen gaan, met vallen opstaan. Dat geldt zeker voor de geboden over de verhouding tussen man en vrouw. Jezus neemt het gebod van de Thora over: u zult geen echtbreuk plegen. Maar hij verruimt dat met te zeggen: Ieder die begerig naar een vrouw kijkt, heeft in zijn hart al echtbreuk gepleegd. Het gaat er niet over dat we niet open mogen kijken naar een vrouw, maar of we in ons hart begerig naar haar uitzien. Op dit punt hebben we zeker een weg om te gaan, als gehuwde of ongehuwde, als iemand die een partner heeft of als celibatair. De keuze hebben we wel gemaakt, maar wat op ons pad komt, hebben we vaak niet in de hand. In de praktijk zullen we de weg moeten vinden, met vallen en opstaan, en uiteindelijk in het vertrouwen, dat het daarbij ook gaat om de weg van de liefde.