Mat. 5, 1 – 12a
Gewaagde woorden
In het luisteren naar het begin van de Bergrede heb ik grotendeels de uitleg, die Thomas Naastepad geeft over deze tekst als uitgangspunt genomen en het mijne toegevoegd. Hij heeft het door hem geschreven boek als titel meegegeven: Gewaagde Woorden. Het zijn, wat mij betreft, inderdaad ‘gewaagde woorden’ die Jezus spreekt daar op die berg, omdat het gaat over gelukkig zijn en dat dat geluk wordt aangezegd juist aan mensen die zich in uiterst troosteloze situaties bevinden. Dat geeft een enorme spanning. Gewaagde woorden, omdat het mij/ons de vraagt stelt of ik wel onder dit woord wil staan, of ik geluk zo wil verstaan.
Thomas Naastepad begint met te zeggen dat je je aan de woorden die Jezus vanaf de berg spreekt, alleen maar kunt overgeven. Je kunt deze woorden alleen maar aannemen. Er valt niets na te streven, er valt niets te presteren. Dat lijkt me een belangrijk uitgangspunt. Het zijn woorden om mensen op te richten. Het zijn opstandingswoorden. Jezus ziet de schare en ziet wie zij zijn, wie zij zouden kunnen zijn en in welke situatie zij zich bevinden: slachtoffers van onrecht, arm en onderdrukt, zoals eertijds het joodse volk in Egypte. Jezus heeft in deze rede vanaf de berg, juist die mensen op het oog, die door de omstandigheden ertoe gebracht, met heel hun wezen hunkeren naar bevrijding.
Heeft hij ook ons op het oog? Dat hangt ervan af. Het hangt ervan af of wij onszelf terugvinden op die weg van bevrijding, zo zegt Naastepad. En ik begrijp: Willen deze gewaagde woorden mij iets zeggen, dan zal ik moeten erkennen dat onze wereld arm is, de gemeenschap arm is en misschien is het het moeilijkste om te erkennen, dat ik zelf arm ben, hoezeer ik het ook ‘gemaakt’ heb in mijn leven. Dat te beseffen, is nogal wat. En dat ik onder ogen zie, en misschien is dat nog wel het belangrijkste, dat ik mezelf niet kan bevrijden en dat ik met hart en ziel naar die bevrijding verlang, naar dat rijk van God.
De acht zaligsprekingen, zo duidt Naastepad, markeren samen die weg van bevrijding. Zo vormen ze een eenheid. Het is die aloude weg van Egypte vandaan, de woestijn door, naar het land van belofte, het koninkrijk van Gods menslievendheid. De woorden van Jezus op de berg zet mensen op die weg van bevrijding. Die woorden van Jezus behoeden de schare ervoor te ontaarden in wat Naastepad ‘gepeupel’ noemt. Met dat gepeupel worden mensen bedoeld, die uiteindelijk omwille van hun eigen bevrijding, dezelfde macht gebruiken, als waaronder zijzelf te lijden hebben. Het gepeupel zijn die mensen, die zich onder de armoede uitwerken door op hun beurt te leven ten koste van anderen. Aan hen die geen oog hebben voor de ander zijn de woorden vanaf de berg niet besteed.
De eerste zaligspreking Gelukkig die armen van geest zijn, want hunner is het koninkrijk der hemelen vormt het fundament, de grond voor de daaropvolgende woorden, die de weg van bevrijding tekenen. De armen zijn mensen die niets bezitten, mensen die op geen enkele manier meetellen, mensen die met lege handen staan, aan wie alles ontnomen is. Het zijn slachtoffers van onrecht. En aan hen wordt geluk aangezegd? Hoe schrijnend, hoe onbegrijpelijk! Die ervaring van geluk staat immers in schril contrast staat met hun dagelijkse ervaring. In ieder geval mogen deze woorden zeker niet opgevat worden als een soort verheerlijking van armoede. Maar hoe dan wel? Het zijn de armen met wie God zijn weg van bevrijding gaat, want zij staan open. God gaat zijn weg met hen. Juist met hen kan Hij zijn weg gaan, omdat juist de armen beseffen niets meer in handen te hebben.
En het eerste dat dan van deze mensen wordt gezegd is, dat zij treuren. Gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen worden getroost. Het is de diepste ervaring van de armen, van die schare die daar zit, dat zij treuren omdat zij geen vrede hebben met de wereld en haar onrecht.
Deze treurenden worden door de woorden van Jezus omgevormd tot geroepenen. Geroepen worden zij om op te staan en te getuigen van onrecht. Zij worden getroost omdat zij op weg worden gezet. Hun getuigenis zal de wereld doen schudden op haar grondvesten (denk aan de getuigenis van de vluchtelingen). Zo begint de weg van bevrijding: treurenden, die ‘geroepenen’ worden.
Die weg gaat dan, als we de zaligsprekingen volgen, langs zachtmoedigheid, het blijven hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, waardoor uit het hart barmhartigheid ontspringt. Barmhartigheid, die bewogenheid om die ander, die tot handelen aanzet. Het is die barmhartigheid die het land van belofte, kenmerkt. Het is die barmhartigheid, die zal leiden tot een onverdeeld hart, zuiver en integer en daaruit zal vrede voortkomen. En het zijn de zuiveren van hart die vrede stichten. En dat alles loopt dan uit op het geluk voor diegene die gerechtigheid doen en die, als gevolg daarvan, zullen lijden, zullen worden vervolgd.
Daar loopt alles op uit: de gerechtigheid, Gods gerechtigheid, het recht doen van de ene mens aan de ander, het samen, het naast en met elkaar bestaan, ieder zoals hem/haar toekomt, zoals bedoeld. Ook hier staat evenals bij de eerste zaligspreking over de armen van geest dat aan hen, die gerechtigheid doen, het koninkrijk der hemelen is. Het is er. Het koninkrijk bestaat uit mensen, die hun armoede niet hebben omgezet in het vechten voor eigenbelang, niet hebben omgezet in haat, in misbruik van macht, niet verworden zijn tot gepeupel. De armen zijn de weg gegaan en zijn uitgegroeid tot het doen van gerechtigheid en de ervaring leert dat zij daarom zullen worden vervolgd. Zij worden vervolgd, omdat zij goed zijn.
Aan hen behoort het koninkrijk, zegt Jezus en hij voegt eraan toe, dat zij gelukkig zullen zijn, als zij omwille van hem kwaad ondervinden. Onbegrijpelijk geheim. Omwille van
hem, omwille van Jezus zelf, die zelf die bevrijdende weg van armoede en gerechtigheid is gegaan, door diep lijden heen, de weg van de machtige machteloze, open blijvend voor Gods geest.
Ik begrijp: De woorden van de Bergrede tekenen Jezus zelf. Hij is het die aan het aan het begin van zijn weg Johannes uitnodigt om samen met hem de gerechtigheid te vervullen. En het is Jezus zelf die hier getuigt van zijn geluk. Het is deze Jezus op de berg, die ons uitnodigt, oproept die weg van gerechtigheid te gaan met het oog op diep geluk, met het oog op beloofd land, het rijk van Gods menslievendheid. Wagen wij ons aan deze woorden, aan hem?