Lc. 24 : 49 – 53

Tineke Renkema
Lezing
Daniël 7: 9,10, 13,14

Hemelvaart

Bijeen zijn wij hier op deze Hemelvaartsdag. De dag waarop we het verhaal lezen over hoe Jezus definitief afscheid neemt van zijn leerlingen. Hoe te leven zonder zijn tastbare aanwezigheid? Hij is niet meer hier! Dat gold voor de mensen om hem heen, dat geldt voor ons nu.

Maar voordat we ingaan op dat verhaal, lazen we een gedeelte uit het boek Daniël. Ik heb dit boek maar eens herlezen en las dat het kan worden beschouwd als een soort illegaal verzetsschrift. Waar het over gaat?

Het verhaal begint in de tijd van Nebukadnessar, de koning van Babel, die Jeruzalem bezette. Daniel en zijn vrienden worden uitverkoren om deze koning te dienen. Het zijn vier mannen die God in hun hart bewaren. Daniël is een dromer. Hij droomt dat er aan het koningschap van Nebukadnessar een einde zal komen en …dat in plaats daarvan het koninkrijk van God zal aanbreken. Die dromen over de ondergang van Babel herhalen zich steeds door heel het boek Daniël heen. En steeds weer verzetten de opeenvolgende koningen van Babel zich tegen een mogelijk einde van hun macht. Zij willen die boodschap van hun ondergang niet horen. Ze blijven hoogmoedig. Teken van die hoogmoedigheid is dat ooit geprobeerd werd een toren te bouwen tot in de hemel reikend. Veelzeggend!

Daniël vertelt het de opeenvolgende koningen keer op keer dat aan hun koningschap een einde komt en dat het gaat om het koninkrijk van God. Met andere woorden: Dat het gaat om een leven waarbij wij niet op onszelf terugvallen, dat wij niet leven ten eigen bate.

Daniel is een dromer. Hij droomt over een oude wijze man op een troon, in het wit gekleed en over de boeken die dan worden geopend. Hij droomt dat iemand deze oude wijze man tegemoet komt en dat aan deze mens macht, eer en koningschap gegeven zal worden voor altijd. Daniël is een ziener. Hij bewaart God in zijn hart. Hij ziet die mens in zijn droom. Die mens die zich geroepen weet Gods beeld en gelijkenis te zijn. Díe mens, over wie wij de verhalen lezen. Die mens, waarvan wij vandaag zeggen dat het koninkrijk van God in Hem begonnen is, door Hem geleefd is, om zo voor altijd bij ons en in ons te wonen. In Hem laaide het vuur van Gods aanwezigheid. Als geen ander wist Hij de liefde van God op te nemen en te leven. Als geen ander genas Hij, was Hij barmhartig, confronteerde Hij. Als geen ander gaf Hij zichzelf.

Na Zijn dood kwam Hij opnieuw aanwezig en troostte Hij zijn leerlingen en ons, hier en nu door te vergeven, door te laten raken aan zijn wonden, door hen en ons te omgeven met vrede, door te vragen: Heb je me lief? Hij troost niet met een valse troost, maar door mensen op weg te zetten.

Vandaag horen we hoe hij definitief aan de ogen van de leerlingen onttrokken wordt, opgenomen tot bij God. Hij is niet meer bij hen, niet meer bij ons. En toch! En toch! We weten het misschien uit eigen ervaring of hebben het anderen horen vertellen: Waar mensen een geliefde hebben verloren, kán het gebeuren, dat zij deze mens af en toe nog zien, nog horen. Zien soms even. Het is alsof iemand opnieuw aanwezig komt, vergelijkbaar met wat we horen in de verrijzenisverhalen.

Zien soms even, tot … totdat het stil wordt, doodstil. Definitief onttrokken aan ons leven. Dan blijft er niets anders dan leegte en gemis. En dan toch iemand bewaren? Waar gaat dat dan over? Het gaat over iemand bewaren, zo dat de liefde voor hem of haar niet wordt verduisterd. Het gaat over staande blijven in die liefde.

Hoe belangrijk is het dan, dat Jezus voordat Hij definitief onttrokken wordt aan hun ogen, zijn geliefde leerlingen in kracht stelt én zegent. Zegenen? Dat gebaar, die woorden waarbij hun leven geënt wordt op Gods liefde, geënt op het verhaal van God met mensen, geënt op het leven van deze zo geliefde Mensenzoon. Zo worden de leerlingen gezonden, om op hun beurt God te bewaren, door het leven van Jezus te bewaren in hun hart, en hun doen en laten op Hem af te stemmen.

Maar we weten, sommigen weten uit ervaring, doordat zij een geliefde hebben verloren, dat dat duren kan voor dat het ten volle doordringt: Hij of zij is niet meer hier, maar wel in mij, De liefde van hem of haar is bij mij gebleven.

Het vraagt tijd en ruimte om wat die ander heeft geleefd, iets van zijn/haar geest op te nemen en op eigen manier vorm te geven. Het vraagt tijd en ruimte -om wat Jezus leefde op te nemen, hier tussen ons in, -om Zijn zegen helemaal te ontvangen. -om niet ten eigen bate te leven en ons gezonden te weten.

Het zal Pinksteren worden. Mogen we open staan voor zijn Geest.