Mt. 13, 44 – 52

Annet van Straaten
Lezing
1 Kon. 3, 5-12

Geroepen om gewone dingen op grootse wijze te doen

Het koninkrijk van de hemel. We krijgen inkijkjes in wat dat kán zijn in het Evangelie van vandaag. Het kan zijn, dat we erop Koninkrijk stuiten, plotseling, ongezocht. Als een schat die je zomaar vindt en waar je alles voor over hebt om die te behouden. Het kan ook dat je op zoek bent, als die koopman. En dat je dáárdoor op het spoor komt van iets wat boven alles uitgaat, waardoor je niet langer meer hoeft te zoeken, maar dát aanneemt, koestert en uitbouwt. Of dat je gaandeweg je leven steeds meer leert over wat wél en wat geen leven geeft: leert onderscheiden wat de goede en de slechte vissen, zeg maar ‘vangsten’ in je levenservaringen zijn.

Titus Brandsma, Karmeliet, die we vandaag gedenken, had al vroeg weet van het Koninkrijk der Hemelen. Hij had net als Salomo goede kaarten. Salomo was een zoon van koning David. Titus werd geboren in een hecht, toegewijd Rooms-Katholiek boerengezin in Friesland; van de zes kinderen kozen er vijf voor een religieus leven. Hij kreeg het als het ware met de paplepel ingegoten. Hij is opgegroeid met Gods’ aanwezigheid in het aardse leven als een vanzelfsprekend gegeven. Dat is geen garantie voor een groots leven, noch een voorwaarde, maar het helpt wel.

Als voormalig student aan het Titus Brandsma Instituut voel ik me schatplichtig aan deze heilige. Ik wil vandaag daarom graag bij hem stilstaan.

Titus was een ‘braaf’, onopvallend kind. Klein en tenger, met een rustige, op het eerste oog meegaande aard. Maar hij kon verrassen met onafhankelijke, principiële standpunten. Zo koos hij na het kleinseminarie bij de Franciscanen tegen de verwachtingen in, niet voor die orde, maar voor de Karmelieten, o.a. uit belangstelling voor mystiek. Uit de overlevering is bekend, dat hij op het kleinseminarie al ‘iemand’ was, vanwege zijn onafhankelijke standpunten die hij soms plotseling liet horen. Er was respect voor zijn eigenheid. Een citaat van latere jaren tekent deze mentaliteit: ‘Wij zijn niet geroepen om in het openbare leven grootse, opvallende of druk besproken dingen te doen. Wel zijn wij verplicht om de gewone dingen op grootse wijze te doen. Wij wensen alleen maar op te vallen door onze eenvoud en oprechtheid.’

Wat hij heeft gedaan, dééd hij op grootse wijze. In de journalistiek en in het onderwijs werd hij een bekende en leidende figuur, terwijl hij heel bescheiden bleef. Kenmerkend daarbij was, dat hij als wetenschapper ook altijd oog en oor hield voor individuele,

menselijke noden en zich ervoor inspande om daar iets aan te doen. Hij preekte in de geest van Geert Grote en de Moderne Devotie sociale actie én praktiseerde die.

Zijn principiële standvastigheid bracht hem in conflict met de Duitse overheid. Titus sprak zich uit tégen de Jodenvervolging: het vervolgen van een bevolkingsgroep en hen zó behandelen is niet christelijk. Als Rooms-katholiek moest hij zich daarover uitspreken, ook op schrift. Zo maakte hij zich tot vijand van de bezetter. Hij werd opgepakt en gevangengezet. Omdat hij niet van standpunt veranderde, werd hij uiteindelijk op transport naar Dachau gezet, waar hij na een halfjaar, uitgeput, mishandeld, ziek en ondervoed, een dodelijke injectie toegediend kreeg. Het regiem had een uitgesproken hekel aan grote kerkelijke voorgangers; zij vormden een bedreiging voor het nazisme.

In de ziekenbarak, de laatste weken vóór Titus’ dood verzamelden zich steeds medepatiënten rondom zijn bed, op zoek naar troost en bemoediging, die Titus royaal gaf, altijd opgewekt en relativerend.

Zijn koninkrijk was niet van deze wereld, maar wel ín de wereld. Dat was niet zonder strijd gegaan. In Kleef, één van de drie gevangenissen waar hij in heeft verbleven, was hij de wanhoop nabij. Maar op het eind van zijn leven scheen zijn licht helder. Hij had zijn leven leren toevertrouwen aan God; zijn omstandigheden bepaalde hem niet meer. Daardoor bracht hij hoop en troost voor zijn omgeving. Een medegevangene verklaarde na de oorlog Dachau overleeft te hebben dankzij Titus’ aanwezigheid en uitstraling.

Hij bracht een stukje hemel in die hel. Hij was een lichtend voorbeeld in die zwarte realiteit. Hij was gelukkig, hij wist zich geliefd door God en dat was hem genoeg. Zijn cel, waar hij sinds zijn intreden zo aan gehecht was geraakt, nam hij in zichzelf mee na zijn arrestatie. Hij vertoefde innerlijk voortdurend in Gods tegenwoordigheid. Zo representeerde hij het Koninkrijk van de hemel. Zijn leven is niet voorbij, hij leeft voort in mensen, in de gedachteniskerk in Nijmegen, in de spiritualiteit van de Karmelieten. Mag hij ons ook inspireren.