Mat. 5, 13 – 16

Leonie van Straaten
Lezing
Jesaja 58, 7 – 10

Daar sta je dan, met een opdracht …

Bij mijn priesterwijding afgelopen maand, kreeg ik een kilo Himalyazout cadeau: een verrassend en uitdagend cadeau, met de wens daarbij dat ik ‘zoutend zout’ mag zijn. En daar sta je dan, in een wereld waar krachten aan het werk zijn waarvan we niet weten welke zal overwinnen. Een wereld vol angst en verwarring. En in een gemeenschap, een kerk, een eigen leven waarin die krachten soms ook heftig kunnen zijn. Waarbij je niet altijd weet hoe je een goede verbinding kunt leven met een ander. Daar sta je dan, met een opdracht. Daar staan wij dan, met een opdracht.

Welke boodschap biedt ons vandaag dit grote Verhaal in deze realiteit? De context van het evangelie is de Bergrede. Vorige week hoorden we de Zaligsprekingen, en dit is vandaag het vervolg. De Bergrede is het programma van Jezus: gelukkig jullie, die een weg gaan van geloof naar verbondstrouw. Wie zijn die jullie, die Jezus aanspreekt? Het zijn de leerlingen, maar ook de grotere kring er omheen, de menigte. En het zijn de treurenden, de armen, degenen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid: zij worden aangesproken. Het zijn al die mensen die gewekt zijn om te luisteren, te luisteren vanuit een verlangen, te luisteren als een leerling. Voor mij is het heel belangrijk dat er ‘jullie’ staat geschreven: daarin is ieder ‘jij’ opgenomen, heel persoonlijk aangesproken én opgenomen in het grotere geheel.

Binnen die context klinkt een opdracht, een oproep die met onze bestemming te maken heeft. Jullie zijn zout en licht! Laat dat licht dan ook schijnen, maak het zichtbaar, verberg het niet. Of anders: leef zo, dat het Koninkrijk gebeurt. Dat gebeurt als mensen Gods goedheid zien – zoals wij in Jezus kunnen zien: Gods goedheid en zijn mensenliefde. En dat heeft niets te maken met onze goede daden die gezien moeten worden, alsof we ons op de borst kloppen. Natuurlijk is het fijn om te horen dat je goed bent, en dat moeten we ook vooral af en toe tegen elkaar zeggen. Maar uiteindelijk staan we in dat grotere perspectief: het Koninkrijk gebeurt als mensen in contact komen met God als Bron van leven. En dus ook onvermijdelijk: in contact komen met elkaar.

De opdracht die Jezus uitspreekt, ‘Wees dit’, is de vervulling van het visioen van Jesaja dat we horen. Jesaja spreekt in toekomstige tijd: als je de goede werken doet, breekt het licht door. Jezus spreekt in de tegenwoordige tijd: jullie zijn dit licht!

Jezus gebruikt twee beelden: zout en licht. Hele gewone, alledaagse beelden. Iedereen kent ze, iedereen gaat ermee om, heeft ze nodig. Het is heel dichtbij. Maar het zijn ook twee heel verschillende beelden. Zout is pittig, rechtstreeks, komt van buiten naar binnen. Licht is meer rond, het omringt ons. Zout moet je met mate gebruiken, licht mag

royaal zijn. Zout maakt bederfelijk voedsel houdbaar, misschien ook wel ons geloof als we besprongen worden door twijfel. Zout is van belang voor de lange duur.

Jezus gebruikt het beeld van zout in de context van het Oude Testament: we lezen in Leviticus, dat bij de offers het zout van het verbond niet mocht ontbreken. En na de ballingschap lezen we bij Ezechiël dat het zout bij de offers nodig was als verwijzing naar het eeuwigdurend verbond. Als Jezus nu tegen de leerlingen zegt ‘Jullie zijn zout’, dan zegt hij ook: jullie staan in die verbondsrelatie, in dat nieuwe verbond, zorg dat het doorgaat van oud naar nieuw. Zorg dat het zout niet krachteloos wordt: dat je leven, je geloof niet flauw wordt. In de grondtekst kun je krachteloos ook vertalen met ‘dwaas’ als tegenover ‘wijs’. Maar wat dan, als het je overkomt in je leven dat het zout zijn kracht verliest, dat een mens zijn geloof verliest? Het geloof niet houdbaar blijft? Dat overkomt een mens, soms. Misschien, ik weet het niet, gaat het dan ook weer om de verbinding: het besef dat je in een verbondsrelatie staat. Dat je in meervoud bent aangesproken: jullie. Dat is een richting, geen oplossing, je kunt er naar kijken en ermee zoeken.

Het beeld van het licht brengt me bij de Chassidische Boodschap van Martin Buber. Hij schrijft daarin dat in iedere mens een goddelijke vonk gelegd is. Jezus roept op dat wij die vonk verlossen, zorgen dat het licht straalt. Het licht dat ons omringt, is ook in ons gelegd: je bent bedoeld om te stralen, om mooi te zijn. Jezus is zelf zo’n lichtmens, hij straalt van binnen uit: onze voorganger. Hij draagt ons op om samen dat licht te zijn, een zichtbare stad op de berg.

Welke boodschap krijgen we in onze realiteit van vandaag, de grote en kleine wereld waarin we leven? Dat was mijn vraag aan het begin. Ik heb geen pasklaar antwoord, maar tast naar betekenis. En ik hoor in ieder geval dat het er om gaat dat wij er zijn: geloven is ‘er zijn’, aanwezig zijn. Daarin hoor ik de Godsnaam: er zijn. Wees er. En zoek dan naar de goede zijnswijze? Want hoe doe je dat dan, zout en licht zijn? Het kan ook betekenen dat je opstaat en protesteert, tegen het duister. Tegen de beschuldigende vinger en kwaadsprekerij, zoals Jesaja schrijft. Ieder zal dit op eigen wijze doen, we zijn daarin verschillend en aanvullend. Ik dacht ook aan Rotterdam, waar vrijdagavond een kring van mensen hand in hand rondom de moskee stond: beschermend en in verbinding. De moslims die naar het vrijdagavondgebed kwamen, zij straalden vanwege dit gebaar van broeder- en zusterschap. Zo staan mensen soms even in een eeuwigdurend verbond, met een opdracht om het steeds meer zichtbaar te maken dat het kan.

De keuze waarop wij Gods goedheid zichtbaar maken, is er uiteindelijk op gericht dat wij God eer bewijzen, zo schrijft Matteüs. Dit heeft voor mij alles te maken met de onlosmakelijke verbinding tussen liturgie en diaconie: vieren, eer brengen én het goede doen, opdat in onze levenswijze zichtbaar wordt wat en hoe wij geloven. Ik hoop en bid dat daarin Gods goedheid zichtbaar wordt en wij groeien in wie wij zijn – met elkaar in deze tijd.