Mar. 9, 2 – 10

Tineke Renkema
Lezing
Genesis 22, 1 - 18

Ga jouw weg! Een weg van loslaten en toevertrouwen

Ga waar je niet kunt gaan

Zie waar niets is te zien

Hoor waar slechts stilte is

Dan hoor je waar God spreekt

Dit lied, dat we regelmatig zingen, is, wat mij betreft, een prachtige samenvatting van de weg van geloof die Abraham gaat: een weg van geloof die een weg van beproevingen is.

Misschien is het goed eerst kort stil te staan bij waar het in een beproeving eigenlijk om gaat. Niet alleen belangrijk om ons eigen leven ermee te kunnen verbinden, maar ook om deze laatste beproeving van Abraham die ons zo onmogelijk, zo ongehoord voorkomt, niet mis te verstaan.

Wat ik gevonden heb: In een beproeving gaat het om een uiterst beslissend moment, een moment van alles of niets, van een leven gewonnen of een leven tevergeefs. Het gaat om een keuze, die je of dichter bij je bestemd zijn brengt of daar juist vandaan. Voor mij werd duidelijk, dat het in een beproeving niet zozeer gaat om een mens die aan de eisen van God moet beantwoorden, die wordt getest en daar dan al dan niet in slaagt. Nee, het gaat om de kans die de mens krijgt om steeds meer de mens te worden, zoals bedoeld. Dit kwam in mij op: Ook God geeft zich in de beproeving. Wij worden immers voor een keuze gezet en daarmee laat God de greep op ons los, laat ons vrij. In die keuze gaat het om: dichter bij Hem, verder van Hem weg. Zo kunnen we ook naar de beproevingen in ons leven kijken: dichter bij God of verder van God weg. Al dan niet luisteren naar die stem in de stilte.

God roept Abraham en Abraham antwoordt met ‘hier ben ik’, en hoort dat hij moet gaan, nu samen met zijn enig geliefde zoon. Dat klinkt vertrouwd. We kennen het immers van toen Abraham zijn weg begon: het spreken van God, het luisteren van Abraham en de oproep om weg te trekken uit al wat vertrouwd was om te gaan. Die opdracht van God om te gaan, te gaan alsjeblieft, te gaan naar jezelf toe, naar de weg die voor jou is bestemd. En nu, zoveel jaren later, zoveel beproevingen later, moet hij opnieuw gaan, de weg van zijn bestemd zijn, nu samen met zijn zoon naar de berg in het gebied van Moria, die God zal wijzen om zijn zoon te offeren. Te offeren? In het Hebreeuws staat in ieder geval niet het woord doden, maar eerder ‘omhoog brengen’. Maar wat Abraham verstaat? Kinderoffers waren in ieder geval in die tijd niet vreemd om de goden gunstig te stemmen.

Abraham gaat zonder enige tegenspraak en dan op de derde dag slaat hij zijn ogen op en ziet hij de plaats. Tegen de knechten zegt hij dat ze daar moeten blijven en dat hij zal gaan met zijn zoon om te knielen, ja knielen, om daarna samen terug te keren. Zou Isaak dat gehoord hebben, dat samen terugkeren? Zo gaan ze samen die twee, vader en zoon: Levensoverdracht. Vader, zei Isaak. Hier ben ik, zegt Abraham. Ja ook voor zijn zoon is hij op dezelfde wijze aanwezig, beschikbaar. Vader, het lam voor het offer? God zal voorzien, is het veelbetekenend antwoord. En behalve die vraag, spreekt ook Isaak niet tegen. Ook niet als alles in gereedheid wordt gebracht voor het offer, Isaak gebonden, het mes gereed.

Het zal toch niet? Alles wat ademt houdt zijn adem in. Het zal toch niet? Het zal toch niet, dat wat tot op de dag van vandaag gebeurt, wat we kennen, waarbij we de adem inhouden, waar kinderen opgeofferd worden aan denkbeelden, vaststaande ideeën over God, over geloven, opgeofferd aan torenhoge verwachtingen, liefdeloosheid, eisen van machtige, onderliggend kwetsbare ouders. Het zal toch niet?

En dan die onderbrekende stem van een engel: Abraham. En dan voor de derde maal die bereidheid tot luisteren: Hier ben ik. Zouden wij ons zelf zo laten onderbreken? Durven wij te onderbreken, en roepen ‘zo niet’, waar onheil gebeurt? Een belangrijke vraag om mee te nemen.

En dan horen we waar het in deze beproeving om ging: Ontzag voor God én om deze zoon niet ‘weg te houden voor God’, zo klinkt de vertaling in de Naardense Bijbel. Het gaat erom of Abraham toch ergens deze zoon voor zichzelf wil houden. Het gaat erom Isaak los te laten zodat ook hij de weg naar hoe hij bestemd is, kan gaan. Het gaat hier om het loslaten van de toekomst om deze in Gods hand te leggen. Toevertrouwen, helemaal toevertrouwen. Heel de weg van Abraham is een weg van toevertrouwen. Wat kostbaar is het om mijn eigen leven, ons leven zo te duiden. Ook mijn weg, ook onze weg, een weg van gaandeweg loslaten én toevertrouwen. Zou het? Kan het? Abraham laat het ons zien.

Ga waar je niet kun gaan

Zie waar niets is te zien

Hoor waar slechts stilte is

Dan hoor je waar God spreekt

Waar Abraham eindigt, daar begint Jezus. Hij draagt vanaf het begin van zijn leven die stilte in zich, waarin God spreekt. Steeds weer slaat hij zijn ogen op. Vandaag neemt hij drie van zijn leerlingen daarin mee, weg van de lengte en breedte van het bestaan, opgaand naar die derde dimensie, de hoogte, de berg, die plaats van verbinding tussen hemel en aarde. Net hiervoor beantwoordde Petrus de vraag van Jezus over zijn identiteit door te zeggen dat hij de Messias is. Onmiddellijk vult Jezus aan dat de weg van de Messias een weg zal zijn van lijden, dood en opstaan.

En vandaag neemt hij ze dan mee die berg op om te luisteren naar God. Dáár pas wordt aan de leerlingen getoond wie Jezus is: het stralende wit, het spreken met Mozes en Elia en dan die stem die woorden geeft en de volle identiteit van Jezus benoemt: het geliefde zoon van God zijn. Dat is zijn identiteit. Zo moet je naar hem kijken, zo moet je naar hem luisteren. Zie hier de mens zoals God bedoelt. Een hoogtepunt daar op die berg, overweldigend, vreeswekkend. Je wordt met stomheid geslagen. Ja, je zou het willen laten duren. Zo is alles immers goed. Maar dat kan niet, want wat in de hoogte wordt ervaren (dat geldt ook voor de hoogtepunten in ons eigen leven), moet in de realiteit worden geleefd. Het zo geliefd zijn, moet in de diepte worden beproefd.

Nadat ze de berg zijn afgedaald spreekt Jezus dan ook opnieuw en onmiddellijk over zijn weg van dood en opstanding. Jezus erkennen als de Messias, zijn identiteit zien als geliefde zoon van God gaat nooit zonder dat besef van de weg die deze mens moet gaan. Mensen zullen immers het volle Licht niet verdragen en hem daarom verwerpen.

Zo is het te begrijpen, dat de leerlingen niet mogen vertellen wat ze daar op die berg als groot geluk hebben meegemaakt. Het is immers niet de hele waarheid. Het gaat in het geloof in Jezus, om een waarheid, die vol is. Het gaat om beproefde waarheid, beproefd geluk, waarin in de diepte de hoogte niet verloren gaat, maar vol wordt gemaakt.

Het gaat erom dat in de afgrondelijke stilte, in die ervaring van niets en niemand, we blijven wachten op God. Wachten, wachten, wachten net zolang tot God ook daar is, wachten om te horen waar God spreekt. Dat is vol leven, een volle identiteit. Zo wordt Hij ons getoond vandaag. In de hoogte is er de diepte, in de diepte kan zich de hoogte openbaren. En dat geheim is groot. Mag het inwerken in ons eigen leven.