Joh. 11, 1 – 45
- Lezing
- Ezechiël 37: 13 - 14
Opstaan en verder
Woorden van hoop en vertrouwen klinken in de lezingen van vandaag, van opstanding dwars door het donker van wanhoop en dood. Op onze weg naar Pasen krijgen we een vooruitblik waar het heen zal gaan, met Jezus, met mensen van God van alle tijden. Naar Verrijzenis, naar leven in verbinding met elkaar en met de Eeuwige. Woorden van hoop en bemoediging, daar hebben we behoefte aan, altijd, maar zeker nu in deze bizarre tijd van sociale onthouding, isolement, en onzekerheid over de duur en de intensiteit van de maatregelen rondom dit Covid-19 virus. Nu ik bezig ben met deze overdenking weet ik me verbonden met u, met jou, die deze woorden op eigen tijd leest, en ik hoop dat ze ons sterken in geloof en moed. Dat we ons met elkaar blijven verbinden als gemeenschap van gelovigen.
We keren ons eerst naar het visioen dat Ezechiël overkomt. Het is overigens de moeite waard om vanaf vs. 1 te lezen. Ezechiël is bij het volk van God in ballingschap. Het volk is uitgeblust en zonder toekomstperspectief. Zijn ze ook de Eeuwige vergeten, de God van hemel en aarde? De Eeuwige is hen niet vergeten, zo klinkt het! De profeet Ezechiël krijgt van God de opdracht om hen uit die grafstemming te halen. ‘Dit zegt God, de Heer: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen’. De Eeuwige neemt keer op keer initiatief om zijn volk op te richten, uit hun beklemming te bevrijden en nieuw leven in te blazen. In dit visioen worden de dorre beenderen bekleed met vlees, krijgen weer zin en samenhang. De leven gevende adem van God wordt hen ingeblazen. Een nieuwe start wordt mogelijk gemaakt. God laat zijn volk niet los maar wekt hen op om opnieuw met zijn verbond te leven, en beloofd land te bouwen. Ongelofelijk bemoedigend, deze ervaring van opstaan en verder kunnen gaan die aan ons wordt overgeleverd. Krachtige boodschap van hoop! Om hoopvol naar uit te zien, en verwachtingsvol voor open te komen, in onze situatie, in onze tijd.
In Bethanië is er rouw om het heengaan van Lazarus, broer van Maria en Martha, vrienden in de kring rond Jezus. Johannes vertelt de gebeurtenissen als geloofsverhaal. Dat is dus anders dan een historisch verslag! Hij gebruikt grote en beladen woorden die je mag verstaan als de vrucht van lang nadenken door de eerste christenen over Jezus’ eigen dood en verrijzenis.
We ontmoeten de zussen Martha en Maria en de bekenden die naar hen zijn toegekomen om met hen te rouwen. Eerst is er Martha die haar vriend en leraar tegemoet gaat. We horen haar zeggen: Als u hier was geweest dan….. Ook Maria zal dit later tegen Jezus zeggen. Die woorden liggen ons ook vaak voor in de mond: Als jij maar dit of dat ….dan was het zus of zo.. Of zelfs: als ik maar, dan…. was het anders gelopen. Deze woorden tekenen ons gevoel van onmacht als er iets gebeurt waar we niet op hadden gerekend, wat buiten onze controle valt. Hoe begrijpelijk deze reactie ook is, het brengt ons meestal niet verder. Eerder voegt het nog leed toe, doordat we ons schuldig voelen, of denken dat we tekort zijn geschoten… Of dat we een zondeboek zoeken . In het evangelie horen we Martha en Maria en de mensen om hen heen eenzelfde opmerking maken, op verwijtende toon wijzend naar Jezus: als je eerder was gekomen, dan was Lazarus niet gestorven….
Jezus gaat niet op dit verwijt van Martha in. Hij ontlokt aan haar een geloofsbelijdenis. Jezus zegt: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft mag dan wel sterven, toch zal hij leven; en iedereen die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. Geloof je dat?’ Ja Heer,’ antwoordde Marta, ‘ik geloof vast dat U de Messias bent, de Zoon van God, degene die in de wereld komen zou.’ Een krachtige belijdenis van Martha, van Johannes. Het gaat in hun gesprek over kwaliteit van leven. Voorbij de angst en de uitzichtloosheid. Mijn en jouw geloof in Hem, zijn aanwezigheid in mij, in jou, ontrukt aan moedeloosheid en wanhoop. Brengt me in dit leven voorbij de doodsheid. En tilt me na dit leven op in leven met God.
We horen vervolgens ook hoe Jezus in woede ontsteekt, huilt, met diepe ontferming wordt bewogen. Misschien gaat het over de dood van zijn vriend, misschien gaat het over die beweging van Maria en de omstanders. Het lijkt of ze zelf mee het graf ingaan. Zich helemaal in bezit laten nemen door de dood en de doodsheid.
Johannes beschrijft hoe Jezus aan alle voorschriften en wetten en gezond verstand voorbij gaat en Lazarus uit het graf roept. ‘Maak hem los en laat hem gaan’. Dat is waar Jezus voor staat, deze man van God. En waar de Eeuwige zich altijd sterk voor maakt, door mensen heen: inzet voor bevrijding en opstanding. Verzet tegen alles wat de mens onderdrukt of lamslaat. Mensen worden opgewekt tot verzet tegen elke dodelijke kracht die echt leven bedreigt. Dat heeft Jezus voorgeleefd. En die ‘opstandigheid’ blijkt besmettelijk, blijkt over te slaan door de eeuwen heen.
We oefenen in deze tijd, op onze weg naar Pasen en op onze weg door de crisis heen, in een andere manier van kijken en handelen. We oefenen in vertrouwen, tegen alle dood en doodsheid in. Met het perspectief van leven en Verrijzenis. Mag het zo zijn.