Mat. 14, 13 – 21

Tineke Renkema
Lezing
Jesaja 55, 1 – 3

Breken en delen: Ons heilig dienstwerk

‘Kom’; ‘Hierheen hier is water’; ‘luister aandachtig’; ‘luister en je zult leven.’ Zo worden we toegeroepen door de profeet Jesaja met het oog op een eeuwigdurend verbond. Een prachtig begin, een ware belofte van voedsel steeds weer op tijd, en een goed fundament voor de woorden van het evangelie van vandaag. Laten we ons oor te luisteren leggen.

Jezus wijkt per boot uit naar een afgelegen plaats waar hij alleen kan zijn. Waarom dat ‘wijken’? Dat ‘wijken’ komt bij de evangelist Matteus wel 10 keer voor. Dat Jezus hier nu opnieuw wijkt, lijkt een gevolg van het feit, dat Herodes het voor mogelijk houdt dat deze Jezus de opgestane Johannes is. De Johannes die hij, Herodes, heeft laten vermoorden op een uit de hand gelopen feestje. Is de wrede dood van Johannes dan niet een voorafschaduwing van wat Jezus te wachten staat? Naast deze bedreiging die van Herodes uitgaat, heeft Jezus ongetwijfeld veel verdriet om deze hem zo geliefde Johannes, die de weg voor hem vrijmaakte. Hoe voorstelbaar is dan het uitwijken naar een afgelegen plaats om bij zichzelf te kunnen zijn, uit het zicht van de mensen, niet in de openbaarheid.

Maar dan gebeurt het, dat hij wordt gezocht en gevonden door een grote menigte, mensen met een grote honger en een groot verlangen. Jezus ziet hen en wordt tot in zijn binnenste bewogen! Een bewogenheid die maakt dat hij zijn eigen behoefte om tot zichzelf te komen overstijgt. Hij moet wel gehoor geven, een heilig moeten!

Het eerste wat Jezus doet is genezen: Hij heelt wat is gebroken. En dan wordt het later en later en tijd om de honger te stillen. De leerlingen nemen het initiatief. Ze doen het voorstel aan Jezus om de mensen, zo staat er letterlijk, los te laten, om voor zichzelf eten te kunnen kopen. Maar Jezus gaat, heel opvallend, niet op dit voor de hand liggende en haalbare voorstel van de leerlingen in. Jezus wil i.t.t. de leerlingen de mensen dus niet ‘loslaten’. Het gaat hem niet om ieder voor zich, ieder zijn eigen brood, maar het gaat om uit Gods hand te ontvangen én om verbondenheid waardoor een andere honger, wordt gestild, op een diep verlangen antwoord wordt gegeven.

En: In die mogelijkheid om te kunnen ontvangen en verbonden te raken betrekt hij zijn leerlingen en daarmee ook ons. We horen hem zeggen: Geven jullie hen maar te eten?

Ik weet niet hoe ieder van jullie zou reageren, maar het is heel goed voorstelbaar dat onze eerste reactie er één is van schrik: Ik? Wij? Te eten geven? Zovelen? En dat heeft dan te maken met vragen als: Heb ik wel iets bij me? Wat heb ik eigenlijk bij me? En: is dat dan wel de moeite waard om te geven? En is het genoeg, goed genoeg? Is het wel haalbaar? En ook: Kunnen wij het nog allemaal aan als gemeenschap? En misschien is er ook een bange stem in ons binnenste, die protesteert en zegt, dat waar ik gevraagd wordt te delen, me in te zetten, ik het zelf wellicht met minder moet doen, minder ruimte, minder tijd voor mijzelf.

Daarbij word ik ook nog eens ‘geholpen’ door de gedachte dat ik aan een ander niet de verantwoordelijkheid moet ontnemen om voor zichzelf te zorgen en iemand niet op die manier afhankelijk moet maken.

We horen hier dat de leerlingen eenvoudig zeggen dat ze niets hebben om te delen. Niets? Ja, behalve dan die vijf broden en twee vissen. Dat is wat zij verzameld hebben. Op zijn vraag brengen ze dat bij hem. Dan verbindt Jezus zich met God, zijn ziel zegent Hem. Hij breekt en deelt dan wat verzameld is, om dan, in een opeenvolgende beweging, aan de leerlingen te vragen om dat wat ze ontvangen hebben uit zijn hand, op hun beurt met de mensen te delen. En het blijkt meer en meer dan voldoende. In heel dit gebeuren, in heel deze bewegingen gaat het om dat samengaan van Gods werk, het werk van de mensenzoon, ons mensenwerk.

Zo wordt het ons dus voorgedaan, daar op het groene gras: Gemeenschap in zijn Naam gesticht, Verbond geleefd, verbinding bewaart. In die dynamiek van delen wat we ontvangen hebben, groeit een antwoord op onze honger, ons verlangen naar een leven wat er werkelijk toe doet.

Dit beseffend, zou ik me dan laten weerhouden door bange vragen over of ik wel wat te geven heb, of dat wel genoeg is en of het de moeite waard is? Zou ik mij afsluiten voor wat er aan honger, aan verlangen is, uit angst voor het appèl dat daarvan uitgaat, uit angst dat zich in ons een grotere ruimte opent dan ons eigen belang? Blokkeer ik op die manier niet dat de bewogenheid van Jezus in mij gaat werken? Blokker ik een leven, dat ertoe doet?

De vraag is dan: Ga ik voorbij aan mijn eerste schrik en laat ik me onderbreken om mee te gaan in Zijn bewogenheid? Niet alleen jij en ik persoonlijk, maar lopen wij als kerk, wij als gemeenschap hier ter plaatse, niet een groot risico? Het gaat dan om het risico, dat wij het vermogen om bewogen te worden, dat wij dát vermogen, dat in ons is gelegd, a.h.w. indammen.

Dat heeft dan van doen met dat wij onze behoefte om alles op orde te hebben, op safe te spelen, te behouden, vast te houden wat we hebben, om die behoefte te laten prevaleren. Waar dát zonder meer onze voorkeur verdient, belanden we op dood spoor! Alles op orde, goed geregeld, maar geen vitaal leven meer. We houden het bij het op het oog mogelijke, we houden het bij het haalbare.

Bewogenheid en het wagen horen wat mij betreft bij elkaar. Dat is het spoor van Jezus, de Levende. Om Zijn bewogenheid in ons te laten werken is het misschien goed ons af te vragen: Wat is Gods droom met ons, waar droom ik van, waar dromen wij als gemeenschap samen van? Want, ook als die dromen voor een deel niet haalbaar blijken te zijn, schept het ruimte voor de bewogenheid die in die dromen verborgen ligt. Dan groeit er ruimte om stap voor stap, maar niet onverantwoord, werk te maken van wat Jezus voor ogen stond, een gemeenschap als brood voor velen, als antwoord op verlangen. Breken en delen: ons heilig dienstwerk!!