Mat. 14, 22 – 33

Petra Speelman
Lezing
Jesaja 19: 8 – 13a

TITEL INNERLIJKE RUIMTE

Dia 1 – Elia op de Horeb – Sieger Köder

Mensen van God, Elia. Zijn naam is betekenisvol, een programma: Mijn God is de Ene. We ontmoeten hem hier op een moment dat hij die naam bijna niet meer hoog weet te houden. Elia is op de berg Horeb, de berg van God. Het is donker in zijn leven: koningin Izebel heeft gedreigd zijn ziel om te brengen. Dat is de druppel geweest. Hij was eerst een sterke man van God, die het koningspaar scherp de wacht aan had gezegd, in verband met hun afgodendienst. Hij had op die andere berg, de Karmel, de priesters uitgedaagd en na hun mislukking omgebracht. In een poging om koning en volk terug te brengen in het spoor van de Eeuwige. Het had niets uitgemaakt, ze waren niet omgekeerd van hun dwaalweg. Zijn leven wilden ze nemen. Genoeg was het. Hij was onder een bremstruik gaan liggen om te sterven. Een heftig beeld wordt hier geschetst van iemand die verslagen is. Zijn beste krachten heeft hij gegeven voor de goede zaak, maar alles is hem bij de handen afgebroken. Wat hij had aan verbinding met God, aan moed en kracht en innerlijke ruimte, stevig in zijn roeping en in zijn wezen, het is weg, verstikt. Hoe verder? Niet verder, einde oefening. Het kan donker zijn in een mensenleven.

Wonderlijk genoeg in het leven deze man van God was daar een engel die hem opwekte, vers brood en fris water gaf, moed om zijn God te zoeken, door de woestijn, deze berg op. Hij vond het in zich om hulp te zoeken, bij de enige die hem tot helper kon zijn.

Nu zien we hem hier in een spelonk gekropen. Hij heeft de stem van de Ene gehoord die vroeg: Elia, wat doe je hier? Na zijn droeve relaas is het natuurgeweld losgebarsten. We zien de grot, de rotsen eromheen gespleten door de aardbeving, bomen geknakt, bliksemflits en vuur.

Elia zit tot een bal opgerold en wacht tot het voorbijgaat. De Ene gaat voorbij, de macht en majesteit

Dan komt er licht, we zien het op de handen van Elia. En een bries, verbeeld door de blaadjes die zacht aan komen waaien en waarvan er een in de hand van Elia terecht komt. Een zachte bries, of in een andere vertaling: stem van beukende stilte. Oorverdovend stil kan het zijn, waarin alle geweld, van buitenaf en van binnenuit, galmt, en dan langzaam tot rust komt. Elia heeft zijn gelaat, zijn lichaam verborgen onder de rode mantel. Een teken van ontzag, van respect.

In het vervolg van dit verhaal komt hij in de opening van de spelonk overeind, staat, en gaat opnieuw op weg. Hij heeft in dat donker, in de eenzaamheid van de berg, opnieuw de stem van de Ene ervaren, er is opnieuw innerlijke ruimte gekomen waardoor hij moed vat en verder kan. De Stem van de Eeuwige, die je in je binnenkant aanraakt, dwars door alles heen. Die je bij je wezen brengt, die je vult met liefde en nieuwe moed.

Dia 2 - Armeense verluchtiging uit de 14e eeuw vermoedelijk gemaakt door de kunstenaar Youhannès uit de oude Armeense regio Berkri, tegenwoordig oost-Turkije.

Ook Jezus is de berg opgegaan, alleen, om die verbinding met de Vader, de bron te voelen en te voeden. Na de genezing van vele zieken, na de wonderbare spijziging van zovele mensen, een sfeer van vreugde, maar tegelijk ook geladen verwachting over Hem, gespannen verlangen naar bevrijding naar een Messias…. Daaruit heeft hij eerst zijn leerlingen en daarna zichzelf losgemaakt, adempauze, ruimte. Het is nacht geworden. Dan, tegen de ochtend komt Hij over het water. Deze woorden van Matteus roepen Verrijzenis op. Jezus gaat over het water, beeldtaal van de Bijbel voor chaos en wanorde. De Verrezene heeft die duistere krachten overwonnen, zo bindt Matteus zijn gemeente onder druk op het hart.

Voor de leerlingen in de boot is het nog stikdonker, zij zijn zonder hun Heer, zij hebben zojuist een wonder van breken en delen meegemaakt, maar zijn toch alweer overgeleverd aan angst: de wind is opgestoken en het water is woest. Ze zijn nergens. Ook hun innerlijke ruimte is ineengeschrompeld, hun ogen zijn bevangen door vrees en ze herkennen hun Heer niet. Pas als Hij spreekt: ‘Vrees niet, Ik ben het’. De boodschap van de engel en de Godsnaam, die woorden brengen hen tot zichzelf.

Petrus, we zien hem gaan, weer vol geloof en geestdrift. Maar dan, als ook hij over de golven wil gaan, slaat de angst hem opnieuw om het hart. Niets menselijks is deze eerste onder de leerlingen vreemd. Vurig geloof en kleinhartige twijfel liggen vlak naast elkaar. Maar hij roept zijn Heer, en maakt zo Jezus tot redder. Jezus steekt zijn hand uit, laat niemand verloren gaan die om hulp roept. Indrukwekkend: de wind gaat liggen en het water wordt stil. Waarachtig, Zoon van God is hij.

Zo kunnen we opademen met deze mensen van God, die het wagen, steeds opnieuw, met de Ene, met de Zoon, in vertrouwen op Geest. Zo kunnen we onze eigen innerlijke ruimte behoeden en bewaren. En op weg gaan.

Om het met Teresa van Avila te zeggen: Dat niets je verwart, dat niets je schrik aanjaagt, wie God heeft, hem en haar ontbreekt niets. Solo Dios basta.