Mat. 22, 1 – 14
- Lezing
- Jesaja 25, 6 – 10a
Als kerk een oefenplaats van de liefde mogen zijn: als dát geen feest is! Ons openingslied eindigde met de zin: ‘Hier zijn we, gereed voor dit feest!’ Maar wie organiseert er nu in deze Coronatijd nog een feest? Er mag toch eigenlijk bijna niets meer? De actualiteit is helemaal niet feestelijk… Maar: Jesaja vertelt ons niet over de realiteit, die was in zijn tijd ook helemaal niet feestelijk – hij biedt een perspectief. En wij kregen deze week ook, via een brief van onze werkgroep Liturgie, een perspectief: we bereiden ons voor om hier weer Maaltijd te kunnen houden, dat is toch een mooi uitzicht op een feest. Maar nu staan we nog in dit gemis. Matteüs biedt ook een perspectief: uitzicht op het Koninkrijk. Maar we moeten wel wat graven, net als vorige week, want het eindigt weer met tandengeknars… De vraag die tot dat tandengeknars leidt is: Hoor je de uitnodiging? En als je hem hoort, ga je er dan op in, of ga je gewoon door met waar je mee bezig bent?
In Trouw las ik een artikel over het nieuwe boek Herkerken. Daarin wordt de kerk gezien als ‘oefenplaats van liefde’ – als dat geen feest is?! Maar toch, de realiteit van Jesaja, Jezus en Matteüs, en onze realiteit is pijnlijk. Er hangt een sluier over onze dagen: er is geen goed zicht, niet op wat goed leven is, niet op de ontwikkeling van Covid 19 en misschien ook niet op onze eigen stemming. De onzekerheid, de angst, zowel dichtbij als in onze wereld: wat doet dit met ons? En naar wie kunnen wij luisteren, wie geeft een helder zicht op de weg die we kunnen gaan? Deze tijd vraagt heel veel vertrouwen, en daarin worden we beproefd.
Jesaja voedt het vertrouwen van zijn volk met een visioen: er zál van Godswege een nieuwe tijd aanbreken, want die ene God zal herkend worden, in ere hersteld – en als dit gebeurt, wordt ook het volk in ere hersteld. Want die erkenning verbindt mensen, zo groeit er gemeenschap. Zo’n visioen is geen doekje voor het bloeden, dat is echte bemoediging. Jesaja is een van die dienaren van de Enige die het gewaagd heeft om te spreken, om te nodigen voor het feest van Verbond.
Jezus wordt ook beproefd in zijn vertrouwen, want hij heeft de leiders tegenover zich en de dreiging neemt toe. Politieke en religieuze leiders betwisten zijn gezag: er is enkel wantrouwen, geen vertrouwen. Het is pijnlijk als er zo weinig ruimte is voor wie van Godswege spreekt en uitnodigt. De leiders willen hem gevangennemen, de mond snoeren, maar Jezus zoekt nog de dialoog. Dat is een leerpunt voor ons: als de ruimte kleiner wordt om van Godswege een boodschap uit te dragen, zoek je dan nog de dialoog, ben je daar creatief in? Jezus is wel creatief, want hij zoekt de dialoog via gelijkenissen. Een gewoon gesprek levert niets meer op. Vandaag gaat de gelijkenis over een bruiloftsfeest, dus over het vieren van het liefdesverbond. De kerk als oefenplaats, ja ja… alsof het zo gemakkelijk is… De zoon in de gelijkenis mogen we zien als Jezus zelf. De genodigden
hebben geen interesse, ze hebben het druk met van alles zoals wij ook vaak druk zijn met van alles de waan van de dag. Het is dus niet zo vreemd, wat in deze gelijkenis gebeurt. Maar het roept wel de woede op van de koning en voor de koning mogen we ‘God’ lezen. Matteüs schrijft dit vanuit zijn ervaringen met de verwoesting van Jeruzalem en de tempel en hij ziet dit als een interventie van Godswege. Zo kijken wij vandaag niet meer naar God, dat Hij in woede ontsteekt en ons met een virus slaat – maar in die tijd was dat nog zo. Wat wel zo is in onze tijd is dat wij die uitnodiging voor Verbond niet altijd horen. Dit vraagt dat wij onze oren en ogen openhouden voor de kleinste tekenen.
De genodigden waren het niet waard: een lastige zin die we als vraag op ons af zien komen. In ieder geval is duidelijk dat dit feest, dit liefdesverbond door moet gaan. Er staat zevenmaal ‘roepen’ – dat is hetzelfde woord als nodigen – en allen worden genodigd, de goeden en de slechten: alle volkeren (zo profeteerde Jesaja al) zijn genodigd tot dit verbond. Maar dan die lastige vraag: zijn wij het waard om mee te doen in dit verbond van God met ons? Het is zeker geen vraag om te gaan navelstaren: ‘ben ik het wel waard, ben ik wel goed genoeg?’ We weten dat we goed genoeg en geliefd zijn in Gods ogen. Maar het is wél de vraag of we voorbereid zijn, of we erop gespitst zijn dat God de liefde met ons wil vieren. Of we de tekenen zien in het gewone leven van iedere dag. Het is wél de vraag of je je bekleed met de nieuwe mens, of je bereid bent om te veranderen, andere kleding aan te doen, anders zichtbaar te zijn. Of je bereid bent om je in te voegen in het Verbond van God met mensen, in dat grote Verhaal van God met mensen. Wil je dat – of is je oude kloffie, zijn jouw gewoonten je te dierbaar? Want die vriend uit de gelijkenis was niet passend gekleed, maar hij wordt wel als vriend aangesproken: zo krijgt hij een tweede kans. Daarop heeft hij niets te zeggen: dat is misschien wel het meest pijnlijke in deze gelijkenis. Die mens die niet is voorbereid, niet gespitst op dat liefdesverbond wordt opnieuw aangesproken, maar zwijgt… Stel je voor dat je hier in de gemeenschap of op je werk of waar je woont verloren loopt en helemaal niet meer bezig bent met dat liefdesverbond. En dat er dan iemand op je schouder tikt en je aanspreekt: ‘Vriend, vriendin, weet je nog? Er is toch meer mogelijk met je leven?’ En dat je dan niets te zeggen hebt, dat dit geen enkele weerklank meer in je heeft. Dat is erg pijnlijk, want daar stort je in de eenzaamheid, daar vind je jezelf tandenknarsend terug. Daar heb je in feite het oordeel over jezelf afgeroepen, hoe tragisch is dat.
Het is dus echt lastig om vandaag de blijde boodschap op te delven. En toch graven we, want we hebben wel behoefte aan een feestje, en wie wil nou niet de liefde vieren? Maar als we de liefde samen vieren, vraagt dit ook van ons dat we de consequenties dragen als de liefde van het begin sleets wordt, op het scherp komt te staan. Als je merkt: daar hangt mijn leven, mijn gemeenschap, mijn kerk van af. Misschien is het wel de blijde boodschap dat wij elkaar op de schouder mogen tikken: dat we ons laten aanspreken als vriend en als vriendin. En dat we het wagen die ander ook aan te spreken – een appèl te doen op verbondenheid. Als we dat doen, op die dag zal het feest zijn want in het doen groeit het Verbond! Het is misschien ook wel een kans om te zien dat het vandaag, hier en nu, al feest is, omdat we hier samen zijn in het grote
Verhaal, als teken van verbond. Als kerk een oefenplaats van de liefde mogen zijn: als dát geen feest is!