Mar. 13, 24 – 37
- Lezing
- Jesaja 63,16 – 64,7
Van donker naar licht: wij zullen het mee-maken!
Advent doet verlangen naar licht, doet uitzien naar feest van licht, van verbinding. Maar nog is het donker, de wereld is in crisis, mensen zijn heel persoonlijk in crisis door ziekte, kwetsbaarheid, rouw. De pandemie, onze verstoorde verbinding met de aarde… nog is het donker.
Ook de lezingen beantwoorden op het eerste gehoor nog niet aan dat verlangen: is het eindelijk advent en dan moet je nog een keer al die verschrikkingen door, dat is toch niet aardig! Maar ja, de realiteit is dat onze aarde kreunt in barensweeën, ze is in chaos zoals hier in onze symboliek is uitgedrukt. En toch: er is een weg te gaan van donker naar licht en dat is óók te horen vandaag, dat vieren we rond deze tafel.
Jesaja richt zich in het donker van zijn tijd rechtstreeks tot God in een indringend smeekgebed. Hij bidt in de tijd dat de ballingen vol hoop zijn teruggekeerd, maar teleurgesteld neerzitten: het is niet zoals zij hadden gehoopt en er is nog een lange weg te gaan om Jeruzalem als een lichtplaats met elkaar te kunnen bewonen. De ballingen zijn dan teruggevallen in oud gedrag, zij volgen de geboden niet en, zo horen we in dit gebed: ze zouden niet meer herkend worden door Abraham en Mozes. Zij zijn als ‘verwelkte bladeren, verwaaid op de wind van het wangedrag’. In mij riep deze prachtige beeldspraak de reflectie op naar mijn eigen vluchtigheid, hoe vluchtig mijn en ons bestaan soms is. In het voorbijgaan iemand niet opmerken, het afval onnadenkend bij de verkeerde soort gooien. Ik bedoel dat niet moralistisch, maar als vraag: waar zit ik met mijn aandacht? Die zit vaak wat dieper dan daar waar ik ben en in dat wat ik doe en daardoor wordt mijn gedrag vluchtig. Mijn echte aandacht zit in mijn ziel en mijn hart, wat sneller gaat kloppen als ik me verbind aan de ander en de aarde. Als dat gebeurt, wordt het leven lichter.
Jesaja vraagt in dit smeekgebed ruimte van God, om naar hem te luisteren. En daarbij kijkt hij alles aan, hij benoemt de realiteit. Daarin staat hij rechtop, hij is fier en krachtig. Want Gods gelaat is verborgen, maar Jesaja vertrouwt dat hij een beroep mag doen, en hij doet dat ook, op het vaderschap van God. Op God die zich altijd weer liefdevol verbindt met ons, daar waar wij zijn. En in wezen maakt Jesaja in dit smeekgebed ruimte voor de hoop. Hij leeft met een diep vertrouwen dat er in die duisternis en ondanks de duisternis een tijd zal zijn waarin God weer nabijkomt en ervaarbaar is.
Deze profeet is wel goed voor ons, in onze crisis, in deze tijd. Want een crisis is ook altijd een kans, een tijd van oordeel en onderscheiding. Er kan in deze Advent een nieuwe, kwetsbare kracht openbreken. We zijn op weg naar licht!
Marcus is ook onderweg van donker naar licht. Bij hem gaat dit over de komst van de Mensenzoon: een onbegrijpelijk kosmisch gebeuren en hij verwerkt allerlei beeldtaal uit het Oude Testament: Joël, Ezechiël en Amos. Het is vertrouwde kost voor de lezers in zijn tijd, misschien wat minder voor ons. Het zijn beelden die allerlei vragen oproepen en die ga ik nu niet beantwoorden. Daar moeten we maar een keer Leerhuis over houden. Wat wel van belang is, is dat Marcus en de jonge Jezusbeweging leefden met een heel concrete verwachting over de wederkomst van Jezus: hij zou echt terugkomen. En Marcus maakt in deze tekst duidelijk dat het onduidelijk is wanneer de Mensenzoon komt: we moeten hem wel verwachten en we zullen het ook in de eigen generatie meemaken, maar het wachten vraagt moed, geduld en vertrouwen. Wij leven niet meer met die concrete verwachting, maar we leven wel met een verlangen naar en een vermoeden van volheid. Het vraagt ook van ons moed en vertrouwen om te verwachten en te blijven wachten.
We zúllen het meemaken: kijk maar naar die vijgenboom, tussen bloei en vrucht zitten precies vier weken. Dat is de tijd van advent: wij zullen het meemaken. We kunnen leren van de schepping: kijk naar die vijgenboom en luister naar de aarde. Als wij met de schepping leven, zal er nieuw leven mogelijk zijn. Wij leven net als Marcus en die jonge Jezusbeweging tussen het heden en de tijd van volheid. Dat is een spannende tijd, die bijzondere aandacht vraagt. En met ons leeft de kerk wereldwijd, de kerk van alle tijden en alle plaatsen, in de tijd tussen heden en de gunstige tijd: kairos, de tijd van God-metons. Het zál gebeuren en wij zullen het meemaken!
Advent is ook dit jaar een kans: een kans om te kijken en te luisteren naar de barensweeën in onze tijd, om de tekenen van de tijd te verstaan en wakker te leven in de crisis, daar waar jij bent. Advent is ook dit jaar een kans om open te staan voor het onverwachte: een nieuwe spiritualiteit, een onverwacht gesprek, een onverwachte ontmoeting. Advent is ook dit jaar een kans om ruimte te maken voor de hoop. Zo proberen wij onze wereld op te delven, het licht op de wereld te laten schijnen en de chaos stapje voor stapje op te ruimen. Dat doen we nu heel concreet in onze symboliek: aan de kant waar het eerste Adventslicht brandt, ruimen we de chaos op.