Mar. 1, 40 – 45

Petra Speelman
Lezing
Leviticus 13: 1 – 2; 45 - 46

AANGERAAKT EN TOT LEVEN GEKOMEN

Mensen van God, Afgelopen donderdag had ik een intens gesprek met een oude dame. Bij ons afscheid pakte ze ineens m’n hand. Voordat ik er erg in had en kon zeggen dat ‘we dat in deze tijd maar niet doen’…. Aanraken verboden. Ik realiseerde me opnieuw hoe vreselijk ik dat vind, dat onze onbevangenheid om elkaar aan te raken weg is. Een hand, een tikje tegen je wang, een hand op je schouder, een arm om je heen. We zijn op onze hoede en vermijden die kleine gebaren van aandacht en hoffelijkheid. Zoeken naar een andere manier van contact: met je ogen, met een hand op je hart. Omdat het zo van levensbelang is om te zien en gezien te worden, aangeraakt in je wezen.

In de lezingen van vandaag wordt ook die angst om aan te raken opgeroepen. En ook de vreugde die het geeft, de heilzame werking, die uit kan gaan van een gebaar, zodat het leven weer gaat stromen. We ontmoeten in het evangelie een mens die in isolement is gekomen. Onaanraakbaar, vanwege een huidziekte. Je grootste orgaan waarmee je naar buiten treedt, zichtbaar voor mensen en voor God. Als dat is aangetast: schaamte, schande. Je onderscheidt je op een manier die weerzin opwekt. En wordt uitgesloten, uitgestoten. De woorden uit de Wet, opgetekend in Leviticus, we horen vandaag enkele verzen, beschrijven minutieus wat er in die tijd en cultuur gebeuren moest met en rondom iemand die een huidziekte heeft. Buiten de gemeenschap van mensen blijven, buiten de gemeenschap met God. Totdat je genezen bent, als je al genezen zult. Wie aan een huidziekte leed was als een dode voor de samenleving, in sociaal en religieus opzicht. Doordat je zo zichtbaar ziek bent worden vragen gesteld. Waardoor ben je ziek geworden? Al snel klinkt een verdachtmaking over je handel en wandel, wat is er van binnen dat je nu van buiten….? En wat heeft God hiermee van doen? Het oordeel van mensen kan scherp zijn. De vragen en dat oordeel maken al dat een mens zich terugtrekt. De angst voor besmetting, al dan niet terecht, de weerzin bij de medemensen doet de rest. Isolement. Dit verhaal speelt zich af buiten Kafarnaüm, weg van de bewoonde wereld. Uitgestoten uit het land van de levenden.

De man komt naar Jezus en valt voor hem op de knieën. Daar is moed voor nodig, want het was voor melaatsen verboden om contact te maken met de gezonde wereld. Voor de man is het duidelijk dat het niet God is die hem getroffen heeft met deze ziekte, maar juist aan zijn kant staat. Vanwaar zal mijn hulp komen? Mijn hulp is van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij herkent die God in Jezus: Heer als u het wilt, kunt u mij rein maken. Rein, weer mens met de mensen, weer mens tegenover God.

Jezus doet iets dat evenzo ongebruikelijk is: hij laat zich bewegen door deze man, innerlijk bewegen. Ten diepste geraakt strekt hij zijn hand uit en raakt hem aan. Hij breekt dwars door de wet, dwars door zijn gezond verstand. Hij ziet een mens geschapen naar Gods beeld. Ik wil het, wordt rein. En meteen gebeurt het, op hetzelfde moment wordt de man rein, mens met de mensen, mens voor God. Wordt ook de gemeenschap hersteld en geheeld, immers iemand die verloren was kan weer worden opgenomen. Daartoe moet deze man zich aan de priester laten zien, zoals in de Wet staat, zoals Mozes heeft voorgeschreven, zo zal hij moeten doen.

Maar we horen eerst nog een heftige reactie bij Jezus. Zo diepbewogen als hij was om deze zieke mens, zo bars klinkt hij nu als hij hem wegzendt, uitdrijft staat er letterlijk. Zoals Jezus demonen heeft uitgedreven in geheel Galilea. Tegen wie vaart hij zo uit? Tegen de man die rein is geworden? Het snauwen van Jezus geldt wellicht dat demonische karakter van zijn ziekte, dat isolement veroorzaakt. Hij bast tegen alles wat mensen bezet houdt en hen losmaakt uit hun verbinding met zichzelf, met elkaar, met God. Je kunt er werkelijk beroerd van worden, van de ellende waarin mensen kunnen verkeren. Het druist in tegen alles waar het God om is begonnen: bevrijding, mensen fier en rechtop, gemeenschap van mensen, broederschap zusterschap.

De man wordt met veel spoed gezonden naar de priester, die de genezing moet vaststellen, zodat de man weer in de gemeenschap kan worden opgenomen. Hij moet er onderweg met niemand over praten. Dat is een terugkerend thema voor Marcus, dat er niet gepraat mag worden over de identiteit van Jezus. Vorige week hebben we hier ook over gehoord. Het Messiasgeheim. Hoe Jezus de Mensenzoon is kan pas ten volle worden verstaan vanuit Zijn lijden, dood en verrijzenis. Er kan niet voortijdig over worden gesproken, omdat het kan leiden tot misvatting, misverstand hoe Jezus waarlijk Zoon van God is.

De man kan zich blijkbaar niet inhouden, want Marcus vertelt in een adem dat hij het overal ging rondvertellen, als een heraut, de boodschap verspreiden, verkondigen. Gevolg hiervan is dat Jezus naar eenzame plaatsen moet gaan, eindelijk naar waar die melaatse was. Buiten. Maar de mensen weten hem te vinden. Zo groot is blijkbaar de nood, het verlangen om geheeld te worden.

De man, die weer mens geworden was, wist wel goed wat hij moest verkondigen: ik was dood en Hij heeft me opgewekt, Hij heeft me weer in het land van levenden gebracht. De Heer heeft mij gezien. En onverwacht ben ik opnieuw geboren. Van een onaanraakbare is hij geworden tot getuige van Gods goedheid en trouw. Hij wekt ons op: om ons te durven keren naar Hem die leven geeft. Om te kunnen horen waar een eenzame mens is, die snakt naar verbinding. Om op weg te gaan met een woord van hoop, van leven, van toekomst. Een blijde boodschap die wij vandaag mogen ontvangen. Amen