Joh. 15, 1 – 8

Tineke Renkema
Lezing
Handelingen 9, 26 - 31

Meditatie

Jezus is met zijn leerlingen bijeen.

Het zijn de dagen van de laatste woorden

in intieme kring gesproken.

Elk woord doet ertoe.

Ik ben, zegt Hij.

Al zes keer heeft hij dat gezegd:

Ik ben het brood, het licht, de deur

Ik ben de herder, de opstanding, de weg.

En nu vandaag, de zevende en laatste keer:

Ik ben de wijnstok.

Dus: Hij weet vanwaar hij komt,

waartoe Hij leeft.

Jezus is met zijn leerlingen bijeen.

Het zijn de dagen van zijn laatste woorden.

We voegen ons stilzwijgend

tussen hen in.

Ik ben.

De Godsnaam klinkt.

Een al te brutale toeëigening

of een ongekende moed

je zo te durven verbinden

aan de God van leven,

je zo met die Naam te verbinden

dat Hij in je komt wonen

die intimiteit!

En wij, zoals wij daar zitten

tussen de leerlingen?

Wij zijn de ranken.

Ik ben al rein?

Durf ik dat woord te proeven,

op mijn beurt:

Ik ben van de Mensenzoon.

IK ben zó verbonden met Hem,

zó, dat Hij verblijf houdt in mij:

Hij in mij, ik in Hem.

Arrogantie of moed?

In ieder geval iets voor durvers.

Hij gaat verder:

Ik ben de ware wijnstok

mijn Vader is de wijngaardenier.

Ik herinner mij:

De wijngaard met zoveel liefde eertijds geplant

hoe bitter waren ooit de vruchten

vanwege wanbeheer.

Hoe bitter zijn soms nu de vruchten!

En nu:

Zie deze Mensenzoon: De wijnstok

God laat niet varen het werk

dat zijn hand begon.

Hij begint steeds weer opnieuw.

Dan horen we Hem zeggen:

Iedere rank aan mij die geen vrucht draagt

zal de Vader snoeien.

Hij zegt het tegen zijn leerlingen

Hij zegt het tegen mij.

Hij heeft de schaar al in zijn hand.

Ik ben bang,

maar zal ik daarom vluchten?

Dat hangt ervan af.

Dat hangt ervan af of

mijn verlangen groter is dan mijn angst.

Of mijn verlangen, om te leven

met een grotere liefde,

sterk genoeg is,

groot genoeg om me

toe te vertrouwen aan Zijn snoeimes.

De Vader weet wat hij doet.

Hij weet waartoe hij snoeit

Als ik mij niet verzet,

als ik leer mijn verzet

langzaam maar zeker los te laten,

heel mijn om mijzelf bewogenheid,

ja, ja dán, dan zal ik meer vrucht dragen,

Dat klinkt als een grote belofte.

Hoe dan mij daaraan over te geven?

Blijf in mij, zegt Hij

Blijf bij mij, zegt Hij

Ik zal blijven bij jou.

Zou ik dat niet durven vertrouwen?

Hij heeft het immers geleefd:

God in hem, Hij in God

Hoe gebeurt dit toch?

Hoe kan dit gebeuren?

Dat toevertrouwen aan zijn snoeiwerk,

omwille van vruchtbaar leven.

Is er daarom deze gemeenschap

dit samenleven in zijn Naam?

De plaats waar ik leerde dat ik bang was,

waar ik me verzette,

waar ik leerde me toe te vertrouwen

waar ik mijn grenzen leerde

waar ik werd en word uitgezuiverd

omwille van een leven

groter dan mijn eigen hart.

Laat ik mij, laten wij ons snoeien

omwille van toekomst?

Breken we daarom het brood

drinken de wijn van de wijnstok

Opdat we Hem zullen herkennen

Opdat Hij in ons blijft en wij met Hem

En vruchtbaar zijn omwille van velen.