Joh. 21, 1 – 14
- Lezing
- Jesaja 61, 1-3
TITEL: Hem (her)kennen
Het hoofdstuk dat we net gehoord hebben is heel eigenaardig. Niet dat het verhaal van de verschijning van Jezus aan het meer niet bekend is, maar dat dit verhaal überhaupt nog verteld wordt. Het evangelie van Johannes was eigenlijk al afgesloten. Dat eindigt met drie verschijningsverhalen. Van Jezus aan Maria die hem ziet als tuinman, Jezus die bij de leerlingen door de gesloten deur binnen komt, en -7 dagen later – Jezus die Thomas zijn wonden laat aanraken. En dan eindigt dat 20e hoofdstuk met de woorden: Jezus heeft nog meer tekenen verricht die niet in dit boek staan, maar deze zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de Messias is. Duidelijk een slotzin. Maar dan komt er onverwacht nog dit 21e hoofdstuk dat we vandaag lazen en dat begint met: Hierna verscheen Jezus weer aan zijn leerlingen en dan komt het verhaal van de verschijning van Jezus aan het meer met die wonderbaarlijke visvangst. En nog eigenaardiger is dat dit verhaal eindigt met de zin dat dit de derde keer is dat Jezus na zijn dood aan zijn leerlingen verscheen, terwijl hij in het vorige hoofdstuk ook al drie keer verschenen is. Dit zou dus eigenlijk de 4e keer moeten zijn. De bijbel is een boek dat ons doet reflecteren. Het is geen geschiedenis waar het erom gaat of het nu wel of niet echt zo gebeurd is, maar dat ons antwoord kan geven op de vragen waar mensen mee zitten. Het roept ons op ons eigen leven te spiegelen aan waarden van Godswege. Waarom zou dit verhaal nog aan het evangelie van Johannes zijn toegevoegd? Waarschijnlijk omdat het een antwoord gaf op vragen waar de eerste christenen mee zaten. Zo las ik dat er in de begintijd van het christendom een spanning was tussen de christenen uit de school van Johannes in Efeze en in de volgelingen uit de school van Petrus in Rome. Wie van hen kende Jezus het best? Wiens getuigenis over Jezus is het meest betrouwbaar? Dat van Johannes of van Petrus? Het is duidelijk dat dit evangelie, en ook zeker dit hoofdstuk in latere tijd geschreven. Ook nog na de dood van Petrus en Johannes. En die gemeenten wortelden met de vraag bij wie het hoogste gezag lag in de kerk. Bij Petrus? Johannes? Petrus springt weliswaar direct in het water, maar hij had Jezus niet herkent en het is Johannes die hem als eerste de Heer herkent. Dat was een vraag van toen. Wij weten dat die- op den duur - in het voordeel van de kerk van Petrus in Rome werd beantwoord. Een andere vraag waar men mee zat was: Hoe zit het met die wederkomst van Jezus waar men in het begin zo van overtuigd was? Christenen vroegen zich af: hoe lang nog houden we dit vol, als wij zien dat dat koninkrijk van God maar uitblijft? Hoe blijf je bij die opstandingservaring dat Jezus door gesloten deuren binnen kan komen, dat Hij daar is
ons ons de vrede toe te zeggen, terwijl wij in een tijd leven waarin wij vechten tegen de bierkaai van tegenwerking, onderdrukking, vervolging maar ook van ontmoediging. Onze tijd is anders dan in de tijd van de eerst christenen, maar de vragen blijven. En ons antwoord In dit verhaal zien we hoe de leerlingen in de boot zitten op het meer van Tiberias. Ze zijn teruggegaan naar Galilea. Petrus, hield het niet meer uit. Petrus is de actieve, de doener van het gezelschap. Ik ga vissen. De anderen weten niets beter en gaan met hem mee. Maar het is niks gedaan. Het is nacht. Het donker in en rond de boot. Ze vangen niets. Het blijft maar donker. Maar dan – tegen de morgen – staat er iemand aan oever, die hen roept en vraagt of ze wat eten hebben. Nee, niks gevangen. Ze zien ook niet wie het is die dat vraagt. Dat Jezus niet herkend wordt, hebben we vaker gehoord. Maria denkt dat Hij de tuinman is, de Emmaüsgangers lopen hele einden naast hem en nodigen hem uit in hun huis, maar herkennen hem pas aan als hij het brood met hen breekt. Ook deze leerlingen zien niet dat de man op de oever Jezus is. Zo gemakkelijk is dat dus niet. Hij wordt niet herkend door zijn uiterlijk, zijn gezicht of door zijn manier van bewegen, maar door dat wat er door zijn presentie, geest, of door de herinnering aan hem gebeurt. Er ontstaat bijvoorbeeld vrede door zijn aanwezigheid. Hij wordt herkend aan het ontregelende en doorbrekende dat hem typeerde. Hij is de totaal andere: arm wordt rijk, krom wordt recht, de vernederde verheven. Ook hier raadt Hij hen aan om het op een totaal andere manier te doen. Gooi het net aan de andere, ongebruikelijke kant uit. Omkering van die vaste zekerheden. Achteraf wordt gezien: dat moet Hij geweest zijn. Maar ook hier is het dus niet zo duidelijk. Hier durven de overige leerlingen niet te vragen wie hij was. Pas als ze het wonder van de overvloed aan vissen zien, begrijpen ze dat het Jezus was, maar het lijkt alsof ze er toch nog een beetje twijfelen Kan dat waar zijn? Maar in die mist is het Johannes, die het weet. Johannes, De leerling van wie Jezus veel hield weet het. En zegt tegen Petrus: Het is de Heer. En Petrus springt in het water. Gaat, doet, al heeft hij het zelf niet gezien. Op dit punt in het verhaal krijg ik een soort antwoord op de vraag wat wij met dit verhaal kunnen in ons leven. Ook wij kennen het vervelende gevoel dat het maar niet anders wordt, beter wordt. We vieren Pasen, maar waar zien we opstanding? Waar in de wereld, waar in de kerk, in de gemeenschap? Oorlog in Oekraïne, polarisatie, vluchtelingen, inflatie, steeds grotere inkomensongelijkheid, een diepe kloof tussen arm en rijk, droogte en hongersnood door opwarming van de aarde discriminatie. Waar is het nog licht? Ook wij zitten a.h.w. in de boot in de mist en het donker. Net als de mensen van de die na de dood van Jezus hun verwachtingen bij moesten stellen: het gaat niet goed, niet zoals wij altijd gedacht hadden. Voor hen is dit verhaal geschreven, maar ook voor ons. Laat je leiden door de Johannes onder ons die zegt: kijk het is de Heer. Ik herken hem. Aan dat loslaten van vaste
gewoonten, aan die totaal andere aanpak. En als hij dat ziet, ziet ook Petrus het die zich zonder bedenkingen daaraan overgeeft. Dit verhaal zegt mij nu : Spring in vertrouwen, ga en doe. Johannes de mysticus, de ziener, die de spirituele basis aandraagt en Petrus die het waarmaakt in de praktijk. Toekomst gebeurt door ons, door dat wat wij willen zien en door dat wat wij willen dat er gebeurt. Het project van Doortocht waar we op het ogenblik mee bezig zijn in de gemeenschap, gebeurt door mensen als Johannes en Petrus. Zieners en doeners samen. Daar waar zij elkaar nodig hebben en vertrouwen, daar komt Jezus aanwezig, tussen ons in. En er is nog een punt dat mij trof. Noch de ziener, noch de doener zorgen dat er te eten is. Jezus vraagt of ze wat te eten hebben en hun antwoord is nee. Zij hebben niets. Maar Jezus heeft al voedsel: brood en vis. Het vuur is al aan. En de vis is al geroosterd voordat Petrus het net aan wal sleept met de overvloed aan vissen. Jezus zelf is de ichtus, de gever, degene die uitnodigt, niet de ontvanger. Dat geldt ook voor ons. Wij zijn te gast bij Hem en het is aan ons om die vanuit die gastvrijheid van Hem het concrete werk te doen en uit te delen van wat wij aan Hem te danken hebben. Dat is ook zo’n mooi gegeven. 153 stuks. Er zijn allerlei verklaringen voor getal ook mystieke, maar mij sprak het meest aan de concreetheid ervan. Nuchter. Het gaat niet om een idee, maar om echte vissen. Broodwinning, voedsel voor velen. 153 Stuks veel te veel voor het ontbijt van alleen de leerlingen. Het is bedoeld om met anderen te delen. Heel concreet. Vis die je niet opeet, maar laat liggen gaat verloren, bederft. Zo is het ook met de boodschap van heil waar Jesaja over spreekt in de eerste lezing: hij is gezonden om een goede boodschap te brengen aan mensen die verdrukt zijn, om die goede boodschap uit te roepen, uit te delen, te verbinden die gebrokenen van hart. Ook wij hebben een missie. Juist daar waar wij met lege handen staan krijgen wij deze boodschap: er is werk aan de winkel. Deel van je vreugde, van wat je zelf gekregen hebt aan voedsel, zowel spiritueel als concreet. Deel het uit en het zal zich vermenigvuldigen, zoals in dat eerdere verhaal van de 5 broden en 2 vissen. Samen zeven stuks. Evenveel als er leerlingen in de boot zaten. Een getal dat de volheid uitdrukt. Daar maken ook wij deel van uit. Wij worden opgeroepen onszelf uit te delen, naar het voorbeeld van Jezus.